Photo by Javibeje on Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Neophron percnopterus (Linnaeus 1758: Vultur perenopterus). Eng. egyptian vulture. Ned. aasgier.

Aristoteles, bij wie ‘de kleine witachtige gups’ waarschijnlijk de aasgier was, zie bij het genus gyps, heeft ook een perknopteros, lees perkno-pteros: hij lijkt op een gier, leeft in bosjes, eet aas, klaagt en roept, wordt door raven belaagd, is zeer groot, heeft een witte kop, korte vleugels, en een lange staart; heet ook oreipelargos en hupaietos (in sommige manuscripten staat gupaietos). Plinius latiniseert tot percnopterus. De vertaling ervan is meestal: ‘met zwarte vleugels’ (Grieks perknos: donkerkleurig, zwartblauw, pteron: vleugel). Maar perknos betekende ook gevlekt en onder andere Gaza 1476 ging van déze betekenis uit.

De soort? Pollard 1977 schrijft: “The account [bij Aristoteles] seems inextricably confused” (p.77). Evengoed denkt Lunczer 2009 stellig dat het de lammergier is, gypaetus barbatus. Vanwege de witte kop is ook gedacht aan de vale gier, gyps fulvus, bijvoorbeeld door Arnott 2007 (en onder andere Ray 1694 had de naam daardoor voor díe soort). Belon 1555: het is ‘heel duidelijk’ de buizerd.

Er is ook aan de aasgier gedacht en die wás het misschien, doordat hij onder de gieren een vrij ‘kleine’ spanwijdte heeft (‘korte vleugels’) en doordat oreipelargos, letterlijk bergooievaar, hier zo mooi past. De aasgier broedt vaak in bergachtige gebieden en heeft in de vlucht het zwart-witte van de ooievaar (‘gevlekt’ misschien voor de vleugels?). Aristoteles had de aasgier dan wel twee keer, maar zoiets kwam bij oudere schrijvers vaker voor, of het waren namen uit verschillende regio's.

Gesner 1555 lijkt ook zo te hebben geredeneerd en heeft waarschijnlijk daardoor percnopterus voor de aasgier. Mét een duidelijke tekening (wat de Egyptenaren trouwens ook al hadden). Later ziet ook Hasselquist 1757 er de aasgier in, en Linnaeus volgt hem. Wel schrijft Linnaeus de naam abusievelijk als perenopterus. Het werd gecorrigeerd.

-

Enkele andere namen voor de aasgier (de codes zie op Home):

(U) Duits schmutzgeier, niet vanwege de Schmutz, het vuil dat hij opruimt: het dominant witte verenkleed heeft in variërende mate een geelbruine tint, is ‘vuilwit’, ‘schmutzig weiß’. Naumann 1820 noemde hem daarom schmutziger aasvogel, maar dacht voor de oorzaak aan verontreiniging: dat het witte “von einem bräunlichen Schmutz so verunstaltet wird [zo ontsierd], daß man es nie ganz rein siehet” (p.173); over de gelige nekveren aarzelde hij. In Duitsland vinden sommigen het een vervelende naam, omdat Schmutz een negatieve klank heeft. In Turkije heet de aasgier safran bacha, Houttuyn 1762: “waarschynlyk wegens zynen geelen Kop” (p.117). Er zal ‘saffraan’ zitten, saffraangeel.

(G) N aasgier, maar álle gieren leven van aas. Gesner 1555 had aßgyr, de soort is niet erg duidelijk, maar het was níet de aasgier. Bij Brehm 1831 zit mogelijk de oplossing: hij heeft de aasgier in een eigen genus, Aasgeier, Cathartes, de andere gieren heeft hij in Geier, Vultur (je hebt dus gieren en aasgieren). Bij de Geier is de snavel sterker dan bij de Aasgeier, om grote dieren te kunnen verscheuren - bij de aasgier gaat het om “Verzehren des Aases und Durchsuchen des Unraths”, afval (p.4). Het ís een verschil.

(V) E egyptian vulture - het Egyptische begint bij tekeningen op Egyptische tempels, zit in 1555 bij Belon die in Egypte was en die met Frans sacre égyptien wellicht een juveniel beschreef, zit in 1757 bij Hasselquist die hem daar ook zag, en zit in boeken van de 19e eeuw die het over frequent voorkomen in Egypte hebben.

(?) Arabisch råkhåme, een Zweedse transcriptie van de naam die Hasselquist in Caïro hoorde, vaker vindt men de vorm rachame, in de Bijbel is het Hebreeuws racham. Meestal denkt men dat het de ‘aasgier’ was, en bij Hasselquist was het dat ook. Er is een Hebreeuws racham: liefde, medeleven, barmhartigheid, en in het Arabisch bestaat eenzelfde woord. Het zou gaan om ouderlijke affectie en de aasgier zou zo heten omdat hij de jongen liefderijk behandelt (zijn er vogels die dat niet doen?). Een andere interpretatie is: ‘mannetje en vrouwtje zijn altijd bij elkaar’ (wat ook niet klopt). Nog een: ‘Hij roept als de Nijl gaat wassen [voor Egypte belangrijk] en in de Bijbel werd racham vaak gebruikt als een metafoor voor water dat planten voedt’ (maar de aasgier is vrij zwijgzaam). Meer kans maakt: ‘Brehms Tierleben’ 1890-1893 schrijft dat hij in Egypte een zinnebeeld van de ouderliefde was, omdat ze op straat alles wat vies is toch opruimen, zoals ouders de uitwerpselen van hun kinderen. Ze éten ook menselijke uitwerpselen, naast de niet bruikbare en weggegooide ingewanden van dieren, en zo nog meer. Dit alles zág men graag: de vogels zorgden voor hygiëne.