Photo by The Wasp Factory on Visualhunt / CC BY-NC-SA

Haliaeetus albicilla (Linnaeus 1758: Falco albicilla). Eng. white-tailed eagle. Ned. zeearend.

Naast de Grieken, zie bij haliaeetus, kenden volgens André 1967 ook de Romeinen de zeearend, maar onder de onbegrijpelijke naam inmusulus. In de vogelwichelarij baseerde men zich op de vlucht van de zeearend – en op die van andere soorten - om voorspellingen te doen. De vogel kwam toen in grotere delen van Europa voor, werd vervolgd.

Albicilla staat voor witstaart. Aristoteles had bij zijn grote roofvogels de pugargos: witstuit - Grieks puge: achterste, stuit, argos: blinkend wit. Om de naam te vertalen bedenkt Gaza 1476 albicilla - Latijn albus: wit, cilla geen Klassiek Latijn maar ging wel ‘staart’ betekenen, zie bij het genus motacilla. Voor de bepaling van pugargos zie bij circus pygargus, de grauwe kiekendief, waarvan het vrouwtje een witstuit is. Waarschijnlijk was die van Aristoteles de juveniele steenarend, een witstuit door de witte staartbasis. Voor de zeearend had Aristoteles een heel andere naam: haliaetos, zie het genus.

In Engeland echter ziet men in de pugargos de zeearend. Turner 1544 lijkt het zo te hebben, Willughby 1676 zeker, hoewel het beschreven exemplaar waarschijnlijk een ‘subadult’ was: witte staart, donkere eindband. ‘Witstuit’ paste daar goed bij. Ray 1678 heeft: “white-tail’d Eagle, called Pygargus, and Albicilla” (p.61). Maar de vogel deed hen ook denken aan hun ‘Golden Eagle with a white ring about its tail’, de juveniele steenarend. “So that I suspect it may be the same” (p.62). Dat klopte dus niet.

Iets eerder had Aldrovandi 1599 de volwássen zeearend, de eerste beschrijving van het kleed. Ook hij noemt hem pygargus, maar door de nadruk op de staart vindt Aldrovandi albicilla nog beter passen: “Cauda ab uropygio ad finem usque tota albicat. Unde merito Albicillae nomen datum ab Gaza”, de staart wit, vanaf de stuit tot aan het eind - vandaar dat Gaza terecht albicilla gaf (p.205). Willughby en Ray refereren aan de pygargus van Aldrovandi, maar denken door kleine verschillen in kleed en grootte dat het niet dezelfde was dan hún pygargus (wat deels klopte: adult versus subadult).

Linnaeus neemt albicilla voor de zeearend, zet pygargus bij de grauwe kiekendief. Wel zet hij de twee vogels bij elkaar (p.89), als om te benadrukken dat ze in hun namen niet los van elkaar kunnen worden gezien.

-

Enkele andere namen voor de zeearend (de codes zie op Home):

(U) Pools bielik, bjelik, van biel: wit. De sneeuwhaas heet er bielak, idem: de witte. De zeearend benoemd naar alleen de staart. Scottish Gaelic iolair-bhàn doet hetzelfde: witte arend (iolair: arend, bhàn: wit).

(U) Duits gelbschnabel, naam in Bechstein 1791. De meeste roofvogels hebben een snavel die geel is aan de basis, zwart aan de punt - de (adulte) zeearend heeft een geheel gele.

(U) IJslands loðbrók, letterlijk ruigbroek, vergelijk bij aquila pennata voor de steenarend Duits hosenadler, broekarend: namen voor de ver naar beneden lopende ‘broek’.

(G) Noors fiskeørn: visarend, maar de visarend heeft méér van dit soort namen.

(G) Noors mungottsfugell 1599, lekker-eten-vogel, connaisseur. Oudnoords was er mungât: ‘zelfgebrouwen bier’, uit munr: plezier, en gât: spijs. Nielsen 1989: onder invloed van ‘mond’ en ‘goed’ werd het mundgodt: ‘lekker eten’, vergelijk Deens godte sig: zich laven aan. In de Noorse fjorden zie je ze vliegen met hun vis, en de Noren hielden ook van vis.

(V) N zeearend, in 1660 zee-arend. In vele landen is ‘zeearend’ dé naam voor de vogel, waarschijnlijk door en uit Grieks haliaetos: zeearend, zie bij haliaeetus. Bij de Grieken was ‘zeearend’ waarschijnlijk primair de zeearend, bij Europese naturalisten na 1500 vaker de visarend, later opnieuw vooral de zeearend. De vogel komt overigens niet alleen aan zee voor.

(V) N europese zeearend, vergelijk afrikaanse zeearend voor haliaeetus vocifer, amerikaanse zeearend voor haliaeetus leucocephalus - de bald eagle, met ook de kóp wit, bald mogelijk in de betekenis kaal, maar van oorsprong gaat het om een woord dat ‘wit’ betekende, zie bij het genus fulica voor de meerkoet (de witte bles) - bielik van hogerop is dan toevallig verwant, vergelijk bij fulica *bel-ik-, ‘having a white spot’.