Photo by ajmatthehiddenhouse on Visual Hunt / CC BY-NC

Falco peregrinus Tunstall 1771. Eng. peregrine. Ned. slechtvalk.

De slechtvalk was lang geleden vooral bekend in de valkerij. Maar de oude Grieken kenden hem ook, waarschijnlijk vooral onder de naam kirkos, zie bij het genus circus.

Falco peregrinus wordt vaak vertaald met trekvalk, zwerfvalk. Latijn peregrinus betekende echter vreemd, buitenlands, en vreemdeling. Woordenboeken van het Middeleeuws Latijn (in die tijd ontstond de naam) géven dat ook: vreemd, buitenlands. Niet: trekkend. En de eerste Duitse vertaling van peregrinus in 1545 is frembdling (Schwenckfeld 1603 echter heeft naast frembdling falck ook al wanderfalck: trekvalk, wat als wanderfalke de huidige officiële Duitse naam is).

In de boeken wist men ook niet goed waar trekken op zou sláán: dat hij trekt, of ver weg trekt; dat hij tot ver rond het nest zou zwerven; of dat valkeniers jonge slechtvalken vingen op hun eerste trek uit het Noorden (‘niet op het nest, want dan hebben ze het jagen nog niet geleerd’, maar in Nederland had men voor een op het nest gevangen slechtvalk zelfs een náám: nesteling, tegenover passagier voor exemplaren die men op de trek ving).

Lockwood 1984 schrijft: Albertus ±1260 gaf falco peregrinus, voor een jonge slechtvalk, gevangen op de eerste trek, komend van “unknown parts”. Maar Van Cantimpré ±1240 had de naam al, in: “Secundum genus falconum peregrinum dicitur”, ‘de tweede valkensoort wordt peregrinus genoemd’ (p.199). Hij zegt niets over ‘trek’. Hoewel ook niets over ‘buitenlands’.

Kitson 1998 geeft falco peregrinus van vóór 1200. En heeft een theorie. Voor de slechtvalk was er Oudengels wealhhafoc, mogelijk: ‘valkhavik’. Maar in het Oudengels was er ook het gewóne woord wealh. Het betekende: vreemde (een betekenis die ook zit in Wales, Wallonië, walnoot, koeterwaals). En Oudengels wealhhafoc leek daardoor vreemde = buitenlandse havik te betekenen. En zo ontstond falco peregrinus, als een vertáling van wealhhafoc, gemaakt in Engeland (‘valk’ en ‘havik’ liepen vaak door elkaar). Maar in deze tijd ontstaat ook het woord pelgrim, uit pelegrinus, een woord dat uit Latijn peregrinus voortgekomen was. En met in het achterhoofd wat Albertus geschreven had, kon falco peregrinus, dat zojuist nog 'vreemde valk' betekende, worden opgevat als ‘trekvalk’ (ook een pelgrim 'trekt'). Kortom, een opeenstapeling van misverstanden: het gaat van ‘valk’ naar ‘vreemd’, en van ‘vreemd’ naar ‘trekkend’.

Een heel andere idee staat bij Philip Shaw, in “Telling a hawk from an herodio”, een artikel in ‘Medium Ævum’ van 2013. In de 7e eeuw zou door Engelse ‘glossators’ in de vogel(s) van Diomedes, zie bij calonectris diomedea, een ‘foreigner hawk’ zijn gezien, in het verhaal over die vogels namelijk vielen ze 'buitenlanders' aan, de niet-Grieken. In wealhhafoc zou daardoor het gewone wealh zitten, 'vreemd', juist niet 'valk'. Door hafoc echter, ging de naam al snel op een roofvogel over. En toen men giervalken begon te importeren, had men het over ‘foreign hawk’. Later werden ook slechtvalken geïmporteerd en voor die werd het uiteindelijk de naam.

-

Enkele andere namen voor de slechtvalk (de codes zie op Home):

(U) Duits großer baumfalk, wanneer men vergeleek met de boomvalk. Zweeds mindre jaktfalk, wanneer men vergeleek met de jaktfalk, de giervalk.

(U) Duits schwarzblauer falke, in Bechstein 1802, een van de namen voor de leigrijze bovenkant van de adult. Engels blue hawk.

(G) Quebecs beau voleur: excellente vlieger. De slechtvalk is altijd bewonderd om zijn snelheid en kracht. Austin 1983, ‘Birds of the World’: “The swoop [stootduik] of the hunting Peregrine is one of the most thrilling sights in nature”. Pearson 1936, ‘Birds of America’: “Its strength and bearing [gedrag] appeal to our primitive sense of admiration for courage”.

(G) Engels duck hawk, wat in de Verenigde Staten ooit de officiële naam was, door de ondersoort falco peregrinus anatum: eendenslechtvalk (“once ranged the continent”, anas is eend). Sami rievsakfalle: sneeuwhoendervalk (rievsak is sneeuwhoen). Zie ook, bij falco columbarius, Aristoteles’ phassophonos: duivendoder.

(V) Engels cliff-hawk, de slechtvalk nestelt bij voorkeur op steile rotswanden, soms ook op hoge en moeilijk toegankelijke gebouwen (in oude boeken is dit laatste niet zo gauw te vinden, misschien omdat er minder van deze gebouwen wáren, wel kerktorens).

(X) N slechtvalk, een naam bij valkeniers. Door zijn gedrag vonden zij de slechtvalk een ‘edele valk’, zie bij accipiter gentilis. Vooral het vrouwtje, dat groter is dan het mannetje. Graag hadden ze de nóg betere giervalk, falco rusticolus, maar die was moeilijk te bemachtigen, en zo werd de slechtvalk hun valk. De oudste optekening van de naam staat in het ‘Jacht-Bedryff’ van rond 1636: den slechten Valck (het vrouwtje noemde men valk, het mannetje tarsel, tiercelet). Gezien ‘den slechten’ zit er geen werkwoord (dat had 'slechten' kunnen zijn: met de grond gelijk maken, wat hij dóet). En ‘slecht’, dat zou de valkenier nooit vinden. Over blijft dan Middelnederlands slecht in de betekenis ‘gewoon’ - niet omdat hij veel voorkwam, maar omdat het de valk was waarmee de valkeniers graag werkten - dé valk, ‘onze gewone valk’.