Photo credit: Internet Archive Book Images via Visual hunt

Tetrao tetrix Linnaeus 1758. Eng. black grouse. Ned. korhoen.

Tetrix was een naam bij Aristoteles. ‘Hij nestelt op lage begroeiing en heet bij Athene ourax’. Grieks oura: staart. Door staart kan men aan het korhoen denken, de liervormige staart waarvoor ooit de genusnaam lyrurus werd bedacht: lierstaart. Maar tegenwoordig in ieder geval komt het korhoen in Griekenland bijna niet voor: Handrinos 1997 geeft voor de 20e eeuw vier waarnemingen.

Elders noemt Aristoteles de tetrix een bodembroeder, ‘net als de leeuwerik’. Thompson 1936, Coomans 1947, Pollard 1977: misschien was het dan een pieper. Lunczer 2009: het gaat om twéé soorten. Dat hoeft niet: ‘lage begroeiing’ en ‘bodem’ liggen niet ver uit elkaar. Verder doet ourax denken dat er iets bijzonders is met de staart, wat piepers niet hebben (Arnott 2007 voor nog meer bezwaren tegen ‘pieper’). Tetrix dan een foute schrijfwijze van tetrax, onder invloed van Grieks perdix, patrijs? Aristoteles had naast tetrix niet ook nog tetrax, en hij was de énige van de Griekse schrijvers die tetrix had. Arnott denkt aan een variatie: ‘tetrix mogelijk een Macedonische vorm van tetrax’, Aristoteles kwam uit Macedonië. Voor tetrax en de etymologie zie bij tetrao.

Door Linnaeus komt tetrix bij het korhoen. Coomans schrijft dat Belon 1555 tetrix voor het korhoen had en dat Linnaeus hem volgt, maar Belon kende het korhoen niet. Wel het auerhoen, en daar heeft hij tetrix, maar alleen in het zinnetje “que le Coc de bois ne puisse estre Tetrix, ou Ourax”, ‘dat het auerhoen niet tetrix of ourax kan zijn’ (p.251); ‘wel tetrao’, zie bij het genus.

Linnaeus haalde tetrix uit Aldrovandi 1600. Maar daar verwarring, zoals bij hoenderachtigen snel optrad. De Romeinse dichter Nemesianus, 3e-4e eeuw na Christus, had voor de grote trap tetrax, zie de kleine trap, tetrax tetrax. Aldrovandi noemt vervolgens vrouwtje auerhoen tetrax nemesiani en tetrix nemisiani, alsof Nemesianus díe beschreef. En Linnaeus 1746 interpreteert Aldrovandi verkeerd, zet tetrix nemesiani bij het korhoen. En zo komt hij in 1758 op tetrao tetrix.

Per ongeluk zou de naam zo bij de juiste terechtgekomen kunnen zijn, als men er van uitgaat dat het korhoen 2400 jaar geleden bij Athene voorkwam en dat tetrix/ourax er een naam voor was. Bijna elke andere verklaring is aannemelijk.

-

Enkele andere namen voor het korhoen (de codes zie op Home):

(U) E black grouse, eigenlijk het mannetje. Ray 1678 had ook: black game, ‘game’ een jagersterm. E brown hen het vrouwtje, ook bruikbaar voor vrouwtje auerhoen. Voor het schots sneeuwhoen is er red grouse, nu ook een whiskey-soort. Ray had hiervoor red game.

(U) Zwitserduits spilhan, Gesner 1555, spiel volgens Suolahti 1909 een jagersterm voor de staartveren van de mannetjes (van hoenders). Spiel gelijk aan spel in ‘vederspel’, zoals valkeniers de valkerij noemden? En ook gelijk aan game hierboven?

(G) N korhoen, Duits kurre in Bechstein 1793, Nederduits knoerepot, namen voor het borrelende koeren van de mannetjes tijdens de balts, kor- van klanknabootsend korren (zoals ook koeren klanknabootsend is). Waarschijnlijk horen hier ook Sami hurri, de u een oe, en Jakoets koertoejach.

(V) Duits birkhuhn, Duits heidelhahn, het korhoen is een vogel van veen en heide - met verspreid staande bomen aan de rand, berken en dennen - zit er soms in, eet ervan.

(?) E grouse kan teruggaan op grûta bij Giraldus Cambrensis rond 1185, volgens Lockwood 1984 “an acceptable imitation” van het ‘koeren’ - maar kan ook teruggaan op Welsh grugiar en betekent dan heidehen. Het begon als een naam voor het korhoen, later werd het (door jagers?) vooral het schots sneeuwhoen.