Photo credit: chausinho via Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Alectoris rufa (Linnaeus 1758: Tetrao rufus). Eng. red-legged partridge. Ned. rode patrijs.

Latijn rufus stond voor rood en rossig en beide passen, rood het meest: de rode patrijs onderscheidt zich van dé patrijs, soms grijze patrijs genoemd, door rode snavel, rode oogring, rode poten - heeft ook veel roodbruin in het kleed, wat de sterk gelijkende andere Alectoris-soorten minder hebben.

Het rode zit ook in de oudste naam ervoor: roit hun, rood hoen, een naam bij Longolius 1544, die de vogel in wijngaarden bij Keulen ziet - de rode patrijs had toen een grotere verspreiding. Gesner 1555 neemt over: rot hun. Belon 1555, los van Longolius, valt hetzelfde op: perdris rouge, rode patrijs. Ook heeft hij perdix maior ruffa, bij Graus 1660, vertaling van Jonston 1650: “De rossche oft groote Patrijs” (p.55). Via via komt de naam bij Linnaeus terecht.

Belon bedoelde rood, Linnaeus ook, bloedrood zelfs: Houttuyn 1763 geeft de omschrijving bij Linnaeus als “Veldhoen met de Bek en Pooten Bloedrood” (p.413). Toen men de andere drie Alectoris-soorten nog niet kende, was dit een adequate omschrijving: men vergeleek alleen met het ‘gewone veldhoen’, de patrijs.

Bij de Romeinen was rusticula mogelijk de rode patrijs, zie bij scolopax rusticola. De betekenis wordt dan een heel andere: landmannetje.