Photo credit: Frank.Vassen via Visualhunt.com / CC BY

Fulica atra Linnaeus 1758. Eng. coot. Ned. meerkoet.

Als Latijn fulica voor de witte bles stond, zie bij fulica, dan is de héle vogel benoemd met fulica atra: zwart witje, vrij vertaald (Latijn ater, atra, atrum: zwart). Linnaeus kende die betekenis van fulica ongetwijfeld niet, las misschien de oude uitleg die uitging van Latijn fuligo: roet, en dan was fulica atra voor hem: zwart roetje. Als Zweedse naam kende hij wel bläs-klacka, waarin de bles zit - en klacka, een naam voor hun explosieve geluiden.

Linnaeus was mogelijk de eerste die de meerkoet onder een dubbele naam had. Voor bekende soorten had men meestal maar één naam. Zo heeft Ray 1678: “The coot: Fulica”. Albertus ±1260 had idem één naam: fulica, maar in de omschrijving natuurlijk wel Latijn niger (zwart). De uitzondering zat bij Belon 1555, met Frans diable de mer: zeeduivel, een naam bij Parijs, hoewel daar geen zee is en een meerkoet zelden op een zee te vinden is (overgedragen dan van de zeeduivel, Lophius piscatorius? in de Provence kende men deze vóór 1500). De ‘duivel’ sloeg misschien ook wel op het soms felle gedrag, maar ongetwijfeld vooral op ‘zo zwart als de duivel’. Jonston 1650 maakte er nog diabolus marinus van, maar Linnaeus neemt marinus niet over: weliswaar schrijft hij dat de meerkoet een watervogel is, maar hij zal geweten hebben dat dat zóet water was, wat Belon trouwens al schreef.

In het oude Egypte zijn er de eerste afbeeldingen van de meerkoet (Arnott 2007). In de ornithologie staat de eerste bij Frederik II ±1246, een kleurtekening, met opnieuw: de enkelvoudige naam, fulica (p.Lxxviii).

-

Enkele andere namen voor de meerkoet (de codes zie op Home):

(U) Frans morelle, waarin ‘de Moor’ zit, en die was zwart. Zweeds sotare, wat als gewoon woord schoorsteenveger is, vergelijk Engels soot: roet. Vlaams dominee, traditioneel in het zwart gekleed. Picardisch seur d’ékol: schoolzuster, bedoeld zijn de nonnen: een zwart kleed, een wit boordje. Vogelnamen bewaren soms een verdwijnende cultuur.

(G) E coot, N koet. Vaak hoor je een hoog ‘kuut’, Snow 1998 noemt het “particularly sharp and high when birds agitated”. Lockwood 1984 vindt de namen dicht genoeg bij deze roep zitten om er klanknabootsingen in te zien. Eigenhuis 2004 niet, denkt dat ze verwant zijn met keutel, voortgekomen uit een Germaans *kutila: ‘dik, rondachtig voorwerp’, en dan zijn het namen voor het bolronde. Het is een mogelijkheid, maar klanknabootsing kan óók: het hoge ‘kuut’ klinkt al bijna als ‘koet’. Het fenomeen zit bij méér soorten, onder andere bij de taigagaai, perisoreus infaustus: er zit daar klanknabootsend Russisch koeksja, terwijl in de geluiden geen oe zit, wel een uu dat tegen de oe áánzit. Zie ook bij het genus milvus het stukje over Engels kite. Richter 2018, ‘Non-Standard Bird Names in England, Bavaria and Austria’, ziet in Engels coot hetzelfde: een klanknabootsing.

(G) Spaans mancón, een naam bij Granada. Hij betekent: ‘de gemankeerde’, de meerkoet vliegt zelden, lijkt ‘dus’ geen vleugels te hebben. Als bijvoeglijk naamwoord wordt mancón gebruikt voor mannetjeseenden, als na de broedtijd de slagpennen ineens ruien (eclipskleed): korte tijd kunnen ze dan niet vliegen.

(V) N meerkoet, een naam voor de wateren waarop men ze ziet. Daarnaast is er Fries markol: een 'bles op het meer' (Fries mar: meer, kol: bles). En er is Frans macroule, volgens Franse etymologen ontleend aan Fries markol, of aan Nederlands meerkol (de rk werd kr). Qua vorm vergelijkbaar is Zweeds morkulla voor de houtsnip, maar deze naam is hier niet zomaar te verbinden, tenzij er Zweeds kulle zit: bult (de houtsnip is een dikkertje) en kulle verwant is met kol in markol (de meerkoet is een dikkertje). Ook vergelijkbaar, maar qua betekenis iets heel anders, is markolf, voor garrulus glandarius, de vlaamse gaai, zie aldaar.