Photo credit: Mick Sway on VisualHunt.com

Rallus aquaticus Linnaeus 1758. Eng. water rail. Ned. waterral.

Heel wat vogelsoorten die bij of op het water leven zijn in de loop van de tijd aquaticus of aquatica genoemd (Latijn aqua: water), in de huidige wetenschappelijke namen van de Europese soorten heeft alleen rallus aquaticus dit als soortnaam. Nederlands waterral is er trouwens vrij zeker een vertaling van, zoals ook Engels water rail, Frans râle d’eau, enzovoort.

De waterral leeft op plaatsen bij water waar dichte begroeiing een veilige broedplaats geeft (de vogel wordt eerder gehoord dan gezien). Hij beweegt zich met groot gemak tussen de rietstengels, loopt over drijvende waterplanten, zwemt soms. De naam past dus. Voor een ander deel moet men aquaticus in duo-verband zien. Waterral en kwartelkoning (een ‘landral’) zag men altijd als een soort duo en aquaticus stond dan tegenover terrestris - zie bij rallus, maar zie ook, bij het genus gallinula, Gesners gallinula terrestris voor de kwartelkoning, letterlijk: landkipje (Latijn terra: aarde, grond, land). Het duo-thema zit ook in Nederlands waterschriek versus landschriek, in Frans râle d’eau versus râle de terre, in Engels water rail versus land rail, in Duits rohrhünlin (riethoentje) versus Duits grasmeher (grasmaaier, naast biotoopaanduiding vooral een naam voor de roep: vroeger maaide men met de hand, en het geluid van het maaien had eenzelfde ritme als het krek-krek van crex crex, die even verderop natuurlijk in het gras zat).

Linnaeus haalt rallus aquaticus uit Willughby 1676, die het uit Aldrovandi 1603 zou hebben, maar Aldrovandi citeert slechts, Gesner 1555, en díe heeft het uit een brief van Turner (“Turnerus in epistola ad me”). Gesner schrijft: “Est autem rala duplex [...]” (p.481), in de vertaling bij Horst 1669: “Es sind aber zwey Geschlecht des Rala, das eine sucht seine Nahrung am Gestad der Wasser, das ander wohnet an wilden Orthen, da viel Heide wächst” (I-222). De beschrijving van de twee is summier, maar Turner kan waterral en kwartelkoning hebben bedoeld. En rallus aquaticus begint dan híer (Springer 2009 voegt nog toe dat Gesner in 1585, in de tweede editie van zijn boek, de waterral ook zélf had, én door hem getekend - in 1562 was er bij Zürich een gevangen).

Bij Belon 1555 staan de twee duidelijker, onder Frans rasle noir en rasle rouge, dus naar de kleur. In de tekst is de zwarte een watervogel, de rode een landvogel. Bij Belon zit ook de eerste beschríjving van de waterral. De eerste tékening ervan staat bij Frederik II ±1246 (p.Xxv). Het is er een in kleur.

-

Enkele andere namen voor de waterral (de codes zie op Home):

(U) Limburgs snup: snip, en Oostenrijks schnepferl: snipje, een naam bij vissers. De snip zit er waarschijnlijk voor vorm en lange snavel, maar waarschijnlijk ook wel voor de overeenkomst in de biotoop (vergelijk Nederlands watersnip en waterrral).

(U) Duits langschnäbliger wasserkönig: de waterral heeft een opvallend langere snavel dan de andere ‘echte rallen’ - 'koning' zal een invloed zijn van Duits wachtelkönig: kwartelkoning.

(U) Zwitserduits aeschhünlin, asgrijs hoentje, een naam in Gesner 1585: ‘door asgrijze onderkant en hals zou je hem ein aeschhünlin kunnen noemen’. Later werd dat Duits aschhuhn.

(G) Engels runner. De waterral leeft verborgen, vliegt weinig, en als men hem ziet is dat vaak rennend, van de ene beschutte plaats naar de andere. Belon 1555 geeft bij de waterral als een Franse uitdrukking ‘courir comme un Rasle’, rennen als een ral: hard rennen (p.212).

(G) De waterral kan gillen als een big en knorren als een varken, en dus zijn er IJslands keldusvin (moerasvarken, toen de vogel daar nog broedde, kelda: moeras, svin: zwijn), Italiaans porciglione (biggetje, voor meer hierover zie bij het genus porzana), en Italiaans grugnett (een naam die bij klanknabootsend Italiaans grugnire hoort: knorren).

(V) Duits rohrhühnchen en Nederlands riethoentje - de waterral leeft in het riet en verschuilt zich daarin.

(V) Pools wodnik, gevormd bij Pools woda: water, wodnik is ook: waterman, watergeest (woda is ook Russisch, en dat gaf wodka, wat letterlijk 'watertje' betekent). Als een Russische naam is er vodjanoj pastoesjok: waterherdertje (pastoech: herder, pastoesjok is een verkleining daarvan). Met ‘herdertje’ duidde men misschien op het deel van de geluiden dat in boeken ‘fluitend’ wordt genoemd, bij een herder hoorde altijd een fluit. In Nederland gaf dat fluitende deel een lokale naam fluitje.