Photo credit: Agustín Povedano via VisualHunt.com / CC BY-NC-SA

Himantopus himantopus (Linnaeus 1758: Charadrius himantopus). Eng. black-winged stilt. Ned. steltkluut.

De Grieken kenden een himantopous, een riempoot - Grieks pous: voet, poot, Grieks himas: riem, in samenstellingen himant(o)-. Dionysius: ‘de vogel is naar zijn dunne poten genoemd’. Riem suggereert meer: naar zijn lánge poten.

Dionysius schreef ook dat de vogel zijn poten opvallend buigt. Waarschijnlijk was het de steltkluut, door de extreem lange poten dé steltloper onder de steltlopers - stelten die ze buigen op het nest, bij de jacht op insecten, enzovoort - de lengte is soms een ‘last’, maar ze zijn erdoor in staat in dieper water te foerageren dan andere steltlopers. Men verbaasde zich over die poten. White 1788: hoe kunnen ze lópen? ‘Terwijl hij ook nog de achterteen mist’. Hij noemt de poten “legs in caricatura” (p.243). ‘De flamingo heeft weliswaar nog langere, maar daar is alles meer in proportie’. En Buffon 1796-1799: “une disproportion monstrueuse” (VIII-58). Niet vreemd is dan, bij karikaturale poten, dat de Grieken met een riem vergeleken, voor de enorme lengte, en misschien ook voor de opvallende buigzaamheid.

Bij Plinius is het duidelijker de steltkluut: ‘Een kleiner lichaam dan de porphyrio [de purperkoet], maar net zulke lange, rode poten. Eet vooral insecten. Heeft drie tenen’. Voor een curieus vervolg hierop zie bij het genus haematopus. En ook voor hoe het door Aldrovandi 1603 toch nog goed kwam.

-

Enkele andere namen voor de steltkluut (de codes zie op Home):

(U) Spaans sanguirrojo, de bloedrode, naam bij Granada voor de rode poten (sangre: boed, rojo: rood).

(U) Frans échasse, Brisson 1760, échasse stelt, échasse dan: steltenaar, steltloper. Russisch chodoelotsjnik, waarin chodoelja: stelt, dus ook hier: steltenaar.

(U) Spaans cigüeñuela, kniebochtje, vanwege de opvallende knik in de knie, de naam een verkleining van cigüeña: kniebocht (rechthoekige bocht), dit woord uit Spaans cigüeña: ooievaar (uit Latijn ciconia), zoals Nederlands kraan afgeleid is van kraan(vogel), vanwege de gelijkenis met de hals. Gezien ‘verkleining’ had er ook de betekenis ‘ooievaartje’ kunnen zitten: de steltkluut lijkt een kleine uitvoering van de ooievaar. In Duitsland is storchschnepfe gebruikt: ooievaar-snip.

(G) Noord-Amerikaans lawyer, advocaat, voor himantopus mexicanus, vrijwel gelijk aan de steltkluut, wordt vaak als een ondersoort daarvan gezien. Waarschijnlijk gaf men ‘advocaat’ voor met die hoge poten ‘deftig stappen’, vrij vertaald misschien ook wel voor ‘je aanstellen’.

(V) Italiaans cavalière d’italia, de officiële naam. In “Portraits d’Oyseaux” 1557 had Belon voor de steltkluut Italiaans merlo aquaiolo grande, ‘naam in het hertogdom Urbino’, ‘ter onderscheiding van merlo aquaiolo’ (watermerel - de waterspreeuw, een merkwaardige vergelijking), ‘in het Frans zou je kunnen zeggen le grand chevalier d’Italie’, de grote ruiter van Italië, door de hoge poten. Dat werd in Italië overgenomen, waarbij men misschien meewoog dat de Romein Plinius de vogel al had, zie boven.