Photo credit: Rainbirder via Visualhunt.com / CC BY-NC-SA

Vanellus spinosus (Linnaeus 1758: Charadrius spinosus). Eng. spur-winged plover. Ned. sporenkieviet.

De sporenkieviet heeft een ‘spoor’ aan elke vleugelboeg, in de vlucht soms zichtbaar, eerder wanneer men hem in de hand heeft. Soms gebruikt hij ze tegen indringers.

Edwards 1760 geeft spur-winged plover en heeft een verslag van iemand die de vogel in Egypte zag: mensen daar vertelden ‘dat wanneer de krokodil zijn bek sluit terwijl de vogel nog bezig is daarin voedsel te zoeken, de vogel hem met zijn sporen prikt totdat hij hem weer opent’. Houttuyn 1776 maakt er plevier met gespoorde wieken van (III-19) en dat leidt tot sporenkieviet.

De doornen - Latijn spina: doorn, spinosus: ‘vol doornen’ - komen van Hasselquist 1757, leerling van Linnaeus die de vogel in Neder-Egypte ziet (Belon 1555 mogelijk ook, zie bij de kwartelkoning, crex crex). In de Nederlandse vertaling, Hasselquist 1771: “een gedoornd knobbeltje, dat wat scherp is en kort, ryst uit het Schouderbeen by het begin van den onderrand des Schouders” (p.66). Hij geeft charadrius spinosus, wat Linnaeus overneemt en Houttuyn 1763 op doorn-wiek brengt. Hasselquist vergeet ook het kleed niet: de Fransen noemen hem vanwege de zwarte hals en witte zijden dominicaan.

In Europa zit de vogel in een heel klein gebied, zoals ook de steppenkieviet, vanellus gregarius, door Pallas 1771 zo genoemd omdat hij ten noorden van de Kaspische Zee ‘talrijk’ was (Latijn gregarius: van de kudde, vandaar ook: gewoon). Maar de sporenkieviet zat dichter bij oude beschavingen en werd daardoor al vroeg opgemerkt: Keller 1913 geeft een afbeelding uit het oude Egypte, te Beni Hassan, Arnott 2007 enkele Griekse namen die misschien deze vogel waren.