Photo credit: Andreas Trepte via Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Pluvialis apricaria (Linnaeus 1758: Charadrius apricarius). Eng. golden plover. Ned. goudplevier.

De goudplevier heeft te lang in de zon gelegen. Latijn apricum: daglicht, zonlicht. En het waarschijnlijk door Linnaeus zelf bedachte apricaria is dan: met betrekking tot het zonlicht, daartoe behorend - vrij vertaald: door de zon beschenen. Zonlichtplevier.

In plaats van met apricum verbindt men in boeken vaak met Latijn apricus: in de zon gelegen, aan de zon blootgesteld (tegenover opacus: beschaduwd), maar ‘met betrekking tot apricus’ is vreemd, bovendien had Linnaeus dan apricus zelf kunnen nemen.

De naam is gegeven voor de goudgele veerranden op de bovendelen. De vogel lijkt met gouden vlekjes bezaaid, alsof hij inderdaad in de zon gelegen heeft - en bij bepaald licht krijg je het idee van een gouden gloed. Hij viel er door op, ook in het winterkleed. Lang geleden al. Belon 1555: hij is geel, niet in zijn geheel, “mais que sur les plumes brunes il a beaucoup de taches iaulnastres”, op de bruine veren veel geelachtige vlekken (p.262). Jonston 1650 geeft pluvialis flavescens: geelachtige plevier. Brisson 1760 pluvialis aurea en pluvier doré: vergulde plevier, waarvan Houttuyn 1763 goud-plevier maakt. Alles voor het winterkleed.

Linnaeus kent hem van Lapland, later ook van het Zweedse eiland Öland, waar hij hem aantreft op het vaak zonovergoten kalksteenplateau dat alvar heet, de goudplevier alwargrim, grim naar het gevlekte. Houttuyn denkt dat Linnaeus apricarius gaf “om dat hy veel in de dorre Velden huisvest” (p.259). Het kan hebben meegespeeld. Zoals ook dat op een van de tekeningen die zijn leermeester Olof Rudbeck van de vogel maakte het zomerkleed gouden versierselen heeft alsof het een vaas betrof.

Met pluvialis is Cantimpré ±1240 de eerste die de goudplevier heeft, in zomerkleed, zie het genus. Even later heeft Frederik II ±1246 hem ook, met pluverius en een kleurtekening van het winterkleed (p.Xli).

-

Enkele andere namen voor de goudplevier (de codes zie op Home):

(U) Fins kapustarinta: pollepelborst - kapusta: pollepel, rinta: borst - een naam voor de zwarte, omgekeerde pollepel wanneer je de vogel in broedkleed van voren ziet, vooral het mannetje. De zilverplevier heeft iets vergelijkbaars, maar die zag men zelden, en het zwarte daar lijkt iets minder op een pollepel.

(G) Veel namen voor de geluiden: een kort tuït - bekender een klaaglijk fluitend melancholiek tuu-tíut, bij í gaat het de hoogte in. Sami huit en Ests rüüt verklankingen van het tuït? Het opmerkelijke tuu-tíut leidde tot ‘dichten’, en enkele van die namen achter elkaar gezet geeft als het ware een komisch effect: Drents zuukhiers, Shetlands oh dee-ar, Schots saw-beer. Drents zuken: zoeken.

(G) Noors bøti, misschien horend bij Noors bøte: boeten. Voor het klaaglijke van het tuu-tíut? Hij toont berouw? Zweeds dialect bydi in Bohuslän kon wel eens dezelfde naam zijn.

(G) Ook zijn er Oudnoords (zie bij het genus larus), Noordduits fleiter: fluiter, bij Lübeck, Duits thütvogel, in Naumann 1834, en Fries wilster, via Oudengels hulfestre mogelijk gerelateerd aan Nederlands wulp, betekent dan: roeper, schreeuwer.

(V) Noors heilo, uit hei en , ‘roeper op de heide’. Zweeds ljungpipare, ljung: heide, pipa: fluiten, ‘fluiter op de heide’. De goudplevier broedt in Scandinavië in vochtige veen- en heidegebieden - op de bergen, maar ook lager. Was ook een gewone broedvogel van heidegebieden in Nederland, Duitsland en Polen.