Photo credit: vic_206 on Visualhunt.com

Pluvialis apricaria (Linnaeus 1758: Charadrius apricarius). Eng. golden plover. Ned. goudplevier.

De goudplevier heeft te lang in de zon gelegen. Latijn apricum: daglicht, zonlicht. Het waarschijnlijk door Linnaeus zelf bedachte apricarius betekent: met betrekking tot het zonlicht, daartoe behorend, vrij vertaald: door de zon beschenen. En pluvialis apricaria is, opnieuw vrij vertaald: zonlichtplevier.

In plaats van met apricum verbindt men in boeken vaak met Latijn apricus: in de zon gelegen, aan de zon blootgesteld (het woord stond tegenover Latijn opacus: beschaduwd). Maar ‘met betrekking tot apricus’ is vreemd, bovendien had Linnaeus dan apricus zelf kunnen nemen.

De naam is gegeven voor de goudgele veerranden op de bovendelen. De vogel lijkt met gouden vlekjes bezaaid, alsof hij inderdaad in de zon gelegen heeft (en bij bepaald licht krijg je het idee van een gouden gloed). Hij viel er door op, ook in het winterkleed. Lang geleden al. Belon 1555: hij is geel, niet in zijn geheel, “mais que sur les plumes brunes il a beaucoup de taches iaulnastres”, op de bruine veren veel geelachtige vlekken (p.262). Jonston 1650 geeft pluvialis flavescens: geelachtige plevier. Brisson 1760 pluvialis aurea en pluvier doré: vergulde plevier, waarvan Houttuyn 1763 Nederlands goud-plevier maakt. Alles voor het winterkleed.

Linnaeus kent hem van Lapland, later ook van het Zweedse eiland Öland, waar hij hem aantreft op het vaak zonovergoten kalksteenplateau dat alvar heet, de goudplevier heet er alwargrim, grim naar het gevlekte. Houttuyn denkt dat Linnaeus apricarius gaf “om dat hy veel in de dorre Velden huisvest” (p.259). Het kan hebben meegespeeld. Zoals ook dat op een van de tekeningen die zijn leermeester Olof Rudbeck van de vogel maakte het zomerkleed gouden versierselen heeft alsof het een vaas betrof.

Met pluvialis is Van Cantimpré ±1240 de eerste die de goudplevier heeft, het zomerkleed, zie bij pluvialis. Even later heeft Frederik II ±1246 hem ook, met pluverius en een kleurtekening van het winterkleed (p.Xli).

-

Enkele andere namen voor de goudplevier (de codes zie op Home):

(U) Fins kapustarinta: pollepelborst (Fins kapusta: pollepel, rinta: borst). Het is een naam voor de zwarte, omgekeerde pollepel wanneer je de vogel in het broedkleed van voren ziet, vooral het mannetje. De zilverplevier, pluvialis squatarola, heeft iets vergelijkbaars, maar die zag men zelden, en het zwarte daar lijkt iets minder op een pollepel.

(G) Sami huit en Ests rüüt, wellicht verklankingen van het korte tuït. Bekender is het klaaglijk, fluitend, melancholiek tuu-tíut (bij í gaat het de hoogte in). Men ging er door ‘dichten’, en enkele van die namen achter elkaar gezet geeft als het ware een komisch effect: Drents zuukhiers, Shetlands oh dee-ar, Schots saw-beer (Drents zuken: zoeken). Ook zijn er Oudnoords  (zie bij het genus larus), Noordduits fleiter (fluiter, een naam bij Lübeck), Duits thütvogel (in Naumann 1834), en Fries wilster (via Oudengels hulfestre mogelijk gerelateerd aan Nederlands wulp, en de naam betekent dan: roeper, schreeuwer).

(V) Noors heilo, waarin de hei zit, en  van hierboven, en bij elkaar is het dan: ‘roeper op de heide’. Zweeds ljungpipare, ‘fluiter op de heide’ (ljung is de hei, pipa is fluiten). De goudplevier broedt in Scandinavië in vochtige veen- en heidegebieden (op de bergen, maar ook lager). Was ooit ook een gewone broedvogel van heidegebieden in Nederland, Duitsland en Polen.

(?) Noors bøti, bij Noors bøte: boeten? en dan een naam voor het klaaglijke van het tuu-tíut van hogerop? hij toont berouw? Zweeds dialect bydi in Bohuslän kon wel eens dezelfde naam zijn. Er kan natuurlijk ook een heel ándere etymologie zitten.