Naumann 1860, zomer, juveniel, winter. Photo credit: BioDivLibrary on VisualHunt / CC BY

Calidris alpina (Linnaeus 1758: Tringa alpina). Eng. dunlin. Ned. bonte strandloper.

‘Alpen’ was in het begin de naam voor dat ene bekende gebergte. Later wordt het algemener: Albanese Alpen, Australische Alpen, enzovoort, zie ook bij eremophila alpestris voor de strandleeuwerik. Linnaeus’ alpina heeft betrekking op wat men soms de Laplandse Alpen noemde, het noordelijk deel van het Scandinavisch Hoogland. De bonte strandloper komt er voor op de ‘bergtoendra’, de toendra boven de boomgrens, waar deze althans moerassig is. Voor Nilsson 1858 is tringa alpina daardoor “sin benämning af fjällfogel”, ‘zijn benaming van fjällvogel’ (II-243). Zweeds fjäll en Noors fjell zijn woorden voor berg en gebergte, in het bijzonder het deel boven de boomgrens.

Alpina gaf wel verwarring. In een Duits vogelboek van 1951 staat nog: alpenstrandläufer ‘is een verkeerde naam, zelfs op de trek dwaalt hij niet naar de Alpen af’. Tringa laponica was duidelijker geweest. Houttuyn 1763 had dat: laplandsche strandlooper.

Waarschijnlijk was Gesner 1555 de eerste die de vogel had, een juveniel: ‘rotknillis, vanwege de rossige hals’ (Springer 2009 ziet er onterecht de krombekstrandloper in). Willughby 1676 heeft het zomerkleed, met Engels dunlin. Zomer- en winterkleed verschilden zo dat het lang duurde voordat men ze als één vogel zag. Temminck 1815 zet die stap, noemt de verenigde soort tringa variabilis, een naam van Bernhard Meyer 1810, maar bij hem voor het zomerkleed (‘waarin zóveel variatie zit’) (hij bedoelde ook de juveniel). In het winterkleed zag Meyer nog een sóórt. Temminck ziet dat alles bij elkaar hoort. Tringa variabilis kon ook voor het winterkleed staan, de zoveelste variatie ... Nederlands bonte strandloper lijkt een vertaling van tringa variabilis, maar je kunt erover twisten waarvoor hij dan staat: voor de variatie à la Meyer of voor de totale variatie à la Temminck. Waarschijnlijk denken velen dat hij voor het bonte zomerkleed staat.

-

Enkele andere namen voor de bonte strandloper (de codes zie op Home):

(U) E dunlin, rond 1530 dunling, waarin dun: dofbruin, dit ook in dunnock voor de heggemus, dáár voor de bruine bovenkant, hier de rug in het zomerkleed, bij alpina ‘helder roodbruin’, bij de op de Britse Eilanden broedende ondersoort schinzii ‘dof roodbruin’ (Svensson 2010). Voor de zwarte buikvlek zijn er Russisch tsjernozobik: zwartkropje, Sami cappis coavja: zwartbuik, Noord-Amerikaans black-bellied sandpiper. Voor de licht gebogen snavel is er Noord-Amerikaans crooked-bill.

(G) De bonte strandloper heeft een opvallende en snelle triller, rur-ruurr, die diverse namen gaf: Engels purre (purr: snorren), Deens ryle (ryle: brommen, roepen, klagen), Yupik curumrat (de Yupik: westelijk Alaska), Duits weckuhr (wekker).

(G) Fries kwikkertsje, kwik: kwiek, levendig. De bonte staat zelden stil (maar is daarin niet de enige, alleen zág men deze veel). Onduidelijk is of de naamgevers ook dachten aan de enorme zwermen die zwiepend over het water gaan. Levendig ís dat in elk geval. En spectaculair.

(V) Engels sea snipe, Nederlands strandbokje: de bonte zit tijdens de trek en in de winter vooral aan de kust - en lijkt op een snip. Bij kleine steltlopers zit ‘snip’ vaak in de namen, bij de bonte strandloper wel het meest. Buffon 1770-1783 had al: ‘door vorm en gedrag staat hij dicht bij het bokje, is er misschien alleen maar een variëteit van’.