Naumann 1820-1844, zomer, juveniel, winter. Photo credit: BioDivLibrary on VisualHunt / CC BY

Calidris alpina (Linnaeus 1758: Tringa alpina). Eng. dunlin. Ned. bonte strandloper.

De Alpen, dat was in het begin de naam van dat ene gebergte. Later krijg je een algemener gebruik: Albanese Alpen, Australische Alpen, enzovoort, zie ook bij eremophila alpestris voor de strandleeuwerik. Linnaeus’ alpina heeft betrekking op wat men soms de Laplandse Alpen noemde, het noordelijk deel van het Scandinavisch Hoogland. De bonte strandloper komt er voor, op de ‘bergtoendra’, de toendra boven de boomgrens, althans waar deze moerassig is. Voor Nilsson 1858 was tringa alpina daardoor “sin benämning af fjällfogel”, ‘zijn benaming van fjällvogel’ (II-243). Zweeds fjäll en Noors fjell zijn woorden voor berg en gebergte, in het bijzonder voor het deel boven de boomgrens.

Alpina gaf wel verwarring. In een Duits vogelboek van 1951 staat nog: alpenstrandläufer ‘is een verkeerde naam, zelfs op de trek dwaalt hij niet naar de Alpen af’. Tringa laponica was duidelijker geweest. Houttuyn 1763 had dat, in Nederlandse vorm: laplandsche strandlooper, zijn vertaling van tringa alpina ("onthoudende zig in Lapland", p.248).

Waarschijnlijk was Gesner 1555 de eerste die de vogel had, een juveniel: 'Duits rotknillis, vanwege de rossige hals' (Springer 2009 ziet er onterecht de krombekstrandloper in). Willughby 1676 heeft het zomerkleed, met Engels dunlin als naam. Zomer- en winterkleed verschilden zo sterk dat het lang duurde voordat men de twee als één zag. Temminck 1815 zet die stap, noemt de verenigde soort tringa variabilis, een naam van Meyer 1810, maar bij hem was het er een voor "Die alten Vögel" in de lente en voor "Die Jungen und Herbstvögel": 'in hun kleden zit zoveel variatie dat je nauwelijks twee exemplaren ziet die hetzelfde zijn' (p.398); in het winterkleed zag hij nog een soort. Temminck ziet dat alles bij elkaar hoort.

Nederlands bonte strandloper lijkt een vertaling van tringa variabilis, maar je kunt erover twisten waarvoor de naam dan staat: voor de variatie à la Meyer of voor de totale variatie à la Temminck. Waarschijnlijk denken velen trouwens dat hij voor het bonte zomerkleed staat.

-

Enkele andere namen voor de bonte strandloper (de codes zie op Home):

(U) E dunlin, rond 1530 dunling. Er zit 'dun', dofbruin, zoals ook in Engels dunnock voor de heggemus, prunella modularis - dáár voor de bruine bovenkant, hier voor de rug in het zomerkleed. Bij alpina is deze ‘helder roodbruin’, bij de op de Britse Eilanden broedende ondersoort schinzii is hij ‘dof roodbruin’ (Svensson 2010). Voor de zwarte buikvlek zijn er Russisch tsjernozobik (zwartkropje), Sami cappis coavja (zwartbuik) en Noord-Amerikaans black-bellied sandpiper. Voor de licht gebogen snavel is er Noord-Amerikaans crooked-bill.

(G) De bonte strandloper heeft een opvallende en snelle triller: rur-ruurr. Dat gaf diverse namen, onder andere Engels purre (van het werkwoord purr: snorren), Deens ryle (van het werkwoord ryle: brommen, roepen, klagen), Yupik curumrat (in westelijk Alaska) en Duits weckuhr (wekker).

(G) Fries kwikkertsje, gevormd bij kwik: kwiek, levendig (vergelijk kwikstaart bij het genus motacilla). Het benoemingsmotief is waarschijnlijk dat de bonte strandloper zelden stilstaat (niet als de enige van de strandlopers, maar de bonte zág men veel). Waarschijnlijk ging het de naamgevers niet om de enorme zwermen waarin de vogels zwiepend over het water gaan, wat erg ‘levendig’ is, maar een naam is zelden een verbeelding van wat een groep doet (Hongaars seregély voor de spreeuw, sturnus vulgaris, is een van de uitzonderingen, toevallig voor hetzelfde gedrag).

(V) Engels sea snipe en Nederlands strandbokje: de bonte strandloper zit op de trek en in de winter vooral aan de kust (en lijkt op een snip). Bij kleine steltlopers zit in namen vaak ‘snip’, het meest wel bij de bonte strandloper. Buffon 1770-1783 schreef al: ‘door vorm en gedrag staat hij dicht bij het bokje' ('is er misschien alleen maar een variëteit van’).