Photo credit: andy_li via VisualHunt / CC BY-ND

Calidris temminckii (Leisler 1812: Tringa temminckii). Eng. temminck’s stint. Ned. temmincks strandloper.

Coenraad Temminck (1778-1858) is in de historie van de ornithologie de beroemdste en invloedrijkste Nederlandse vogelkundige. In de 19e eeuw werd hij vaak als dé autoriteit gezien en zijn ‘Manuel d’Ornithologie’ werd een standaard (zie verder bij de Literatuur). Diverse levende wezens dragen zijn naam. Alhier is de reden dat Leisler en Temminck bevriend waren, hoewel Leisler niet zégt dat dit de reden is, hij schrijft alleen dat “Mein Freund Temminck” de vogel langs de Noordzee nooit aantrof en dat het er dus op lijkt dat hij op de trek de loop van rivieren volgt (p.73) - óók een manier om iemand te eren. Leisler woonde in Hanau am Main. “Den Temminckschen Strandläufer treffe ich jeden Herbst an den Ufern des Mains an” (p.72). Temminck zelf neemt zijn ‘eigen strandloper’ vervolgens in Fránse gedaante op, als bécasseau temmia - bécasseau werd gebruikt in de betekenissen snip, ruiter, strandloper. Leisler had de vogel ook minuta kunnen noemen, zie bij calidris minuta.

-

Enkele andere namen voor temmincks strandloper (de codes zie op Home):

(U) Russisch belochvostuj pesotsjnik: witstaart-strandloper, belo: wit, voor pesotsjnik zie pestsjanka bij de drieteenstrandloper. Bij de strandlopers is temmincks de enige met een witte staart, dat is: de buitenste staartpennen. Bij de zangvlucht zijn deze gespreid: van onderaf geeft dat een opvallend wit.

(G) Sami cirhi, Fins sirriäinen, voor de trillende geluiden, tirrr bij het opvliegen, maar vooral: een op- en neer-gaand sirrrrrr in de baltsvlucht, soms minutenlang aangehouden.

(V) Zweeds mosnäppa: heidesnip, mo: heide, zandgrond. Anders dan de meeste andere steltlopers broedt temmincks ook in dróge gebieden: heidevelden, struiktoendra, enzovoort.

(V) Fins lapinsirri, als broedvogel kennen de Finnen hem vooral van Noord-Finland, van ‘Lapin-maa’, het land van de Lappen (nu de Sami); in Zweden en Noorwegen komt hij veel zuidelijker. In de tijd dat Leisler 1812 hem ‘elke herfst’ op de trek ziet, zie hierboven, wéét men nog weinig van het broeden. Temminck 1815 weet dat het een vogel “du cercle arctique” is, maar moet over het broeden nog voorzichtig zijn: “niche probablement dans le nord”, ‘nestelt waarschijnlijk in het Noorden’ (p.402). Nilsson weet weldra méér, ziet ze broeden in Noord-Noorwegen, en bij Trondheim (‘Ornithologia Svecica’, 1817-1821, II-97). De Sami kenden het broeden ongetwijfeld al veel langer.