Photo credit: kiwizone via Visual hunt / CC BY-NC-SA

Calidris canutus (Linnaeus 1758: Tringa canutus). Eng. knot. Ned. kanoetstrandloper.

Canutus is ontleend aan ‘Canuti avis’, vogel van Canutus, een latinisering van de familienaam van de Deense koning die begin 11e eeuw over Engeland regeerde en die in Engelse bronnen bekend staat als Canute, Knute, Knout, Knott, enzovoort. Met de Engelse knot, de kanoetstrandloper, had de koning weinig van doen - tot in 1607 William Camden in zijn ‘Britannia’ een link legt: “Knotts, i. Canuti aves ut opinor, e Dania enim advolare creduntur”, 'Knotts, vogels van Canutus, naar ik meen, want men denkt dat ze uit Denemarken komen' (p.408). Ook tegenwoordig wordt het vaak gezegd: ‘knot betekent vogel van Knut’. De meeste Engelse schrijvers gingen overigens met de gelegde koppeling mee, en via Willughby en Ray komt Canuti avis zo bij Linnaeus, die tringa canutus bedenkt.

Net als de koning kwam ook de vogel uit Denemarken, op de trek. Voor Camden was dat voldoende reden. Maar uit Denemarken kwamen vele soorten, en meer nog uit Noorwegen (wat dóór deze koning trouwens bij Denemarken kwam). Willughby 1676 bedenkt als uitleg van de koppeling dat de koning de vogel graag át, en hij wérd in Engeland gevangen en verhandeld, maar ook dit gold voor vele soorten. De echte reden voor de koppeling was waarschijnlijk dat knot op Canutus/Knott/Cnut léék. Plus het steeds vertelde verháál over de koning. De originele versie daarvan is dat King Canute aan de kust laat zien dat hij niet in staat is de vloed tegen te houden. Alison Finlay verwoordt het thema van het verhaal als: “a pious [godvruchtige] king acknowledging the superiority of God’s might over his own”, ‘Scandinavica’, jaargang 2018, nummer 1 (in boeken staat soms de verkeerde versie dat hij zich juist máchtig voelde, en wilde laten zien dat hij zelfs de vloed kon tegenhouden). Mogelijk had Camden als extra argument voor zichzelf: de knot hoort bij eb en vloed, gaat met de bewegingen van het water mee, zoals ook de koning in het verhaal moet doen. Maar dit meegaan geldt óók voor diverse soorten.

Nederlands kanoet is een gevolg van de onterecht gelegde koppeling. Engels knot niet: men neemt aan dat de naam op zichzelf stond, los van een koning (de naam is bekend uit 1452, als knottys). Onder andere Lockwood 1984 denkt dat knot een klanknabootsing is, een nabootsing van ‘the grunting call’. Sommigen geven de gewone roep als nut-nut, de meesten als knut-knut, een enkeling als knot-knot. Eigenhuis 2004 denkt dat knot tot de kn-woorden behoort: knop, knobbel, knoest, enzovoort. Ze duiden op iets gedrongens, wat ook een kenmerk van de kanoet is (hij wordt vaak plomp genoemd). In kanoet en tringa canutus is de vogel níet naar een kenmerk van zichzelf benoemd (behalve dan misschien die eb en vloed).

-

Enkele andere namen voor de kanoetstrandloper (de codes zie op Home):

(U) Engels red sandpiper, door het zomerkleed. In Noord-Amerika is er beach robin: in Europa is robin de roodborst, erithacus rubecula, met robin in beach robin zal de american robin zijn bedoeld, turdus migratorius, een lijster met rood tot aan de poten, zoals ook de kanoet in het zomerkleed heeft (de roodborst zit niet in Noord-Amerika en zo kwam Engels robin daar bij een andere rode vogel terecht). De Denen hebben strandpomerans: strandsinaasappel, voor pomerans zie bij charadrius morinellus.

(U) Noord-Amerikaans grey-back, Engels ash-colored sandpiper, namen voor het winterkleed. Bij diverse steltlopers verandert het adulte zomerkleed in de winter in een stemmig grijs.

(V) Officieel Noors polarsnipe, de kanoet broedt op de arctische toendra. In de winter komt hij in grote groepen aan West-Europese kusten en dat gaf Duits küstenstrandläufer.

(?) Frans maubèche, in Buffon 1770-1783, een naam uit het dialect van Saintonge, een streek ten noorden van Bordeaux. Buffon legde namen vaak uit, hier had hij waarschijnlijk geen idee. Er is gedacht aan Frans mal: slecht, en bec: snavel, en dan zou het een naam zijn voor de korte snavel (maar je verwacht dan kortbek, niet slechtbek). Tegenwoordig denkt men aan een variatie op Frans mauvis voor de koperwiek, turdus iliacus (soms werd ook deze naam met ‘slecht’ uitgelegd, ‘mala avis’: slechte vogel, omdat hun komst in de herfst een voorteken van iets zou zijn). Desfayes 2000 veronderstelt een klanknabootsende wortel mov- voor een hele groep: meeuw, mauvis, maubèche, Pools mówiç (praten), Nederlands mauwen, enzovoort, en maubèche zou dan een naam zijn voor kleine steltlopers ‘die een flink geluid hebben’ (maar zal dan niet allereerst een naam voor de kanoet zijn geweest: op onze hoogten is hij relatief stil). Voor meeuw is wel eens een wortel maw- geopperd.