Photo credit: Changhua Coast Conservation Action via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Calidris ferruginea (Pontoppidan 1763: Tringa ferrugineus). Eng. curlew sandpiper. Ned. krombekstrandloper.

Latijn ferrugineus betekende roestkleurig, zeg maar: bruinrood (Latijn ferrugo: ijzerroest, ferrum: ijzer). In het broedkleed van de krombekstrandloper zijn hals, borst en buik steenrood (maar vergelijk kanoet, rosse grutto, rosse franjepoot). Pontoppidan 1763, die alleen zeer korte beschrijvingen gaf (soms geen), heeft bij tringa ferrugineus alleen: “neden under heel rustfarved”, ‘van onderen geheel roestkleurig’ (p.624). Door bijkomende gegevens viel te bepalen dat hij de krombekstrandloper moest hebben bedoeld, niet een van de andere drie.

In Europa is de krombekstrandloper een doortrekker. Waar hij broedde wist men nog niet. Pontoppidan kende hem dan ofwel van de trek, of ontving een op de trek bemachtigd exemplaar. Verrassend is vervolgens dat Bechstein 1793 de rothbäuchige schnepfe in Duitsland laat broeden, dat Temminck 1820 schrijft dat tringa subarquata, de ‘wulpachtige tringa’ zoals hij hem naar de kromme snavel noemt, “niche rarement [zelden] en Hollande” (II-612), en dat Yarrell 1843 schrijft ‘dat hij in Engeland waarschijnlijk soms broedt’. Naumann 1834 kon het zich niet voorstellen: ‘het is bij ons alleen een trekvogel’. Op de voorjaarstrek zijn er al die het mooie broedkleed hebben. Ging men daardoor dénken dat hij op onze hoogten zou broeden?

Pallas 1811 ziet de krombekstrandloper op diverse plaatsen in Zuid-Rusland en Zuid-Siberië, op de trek naar het Noorden. Hij geeft trynga falcinella, net als later Temminck naar de krombek (vergelijk limicola falcinellus). In de beschrijving heeft hij: “corpore testaceo-ferrugineo” (II-188). Latijn testaceus betekende: van gebakken aarde. Steenrood dus.

-

Enkele andere namen voor de krombekstrandloper (de codes zie op Home):

(U) Zweeds spovsnäppa: wulpsnip, 'snip' zat in Zweden al gauw in namen voor steltlopers, in het bijzonder bij strandlopers en ruiters (in sommige andere landen trouwens ook). Engels pygmy curlew, een naam in Latham 1785, eerder in Pennant 1773. Latham: ‘de snavel is gebogen zoals bij de wulp, de vogel zelf is zo groot als een leeuwerik’. De vergelijking met de wulp werd alom gemaakt (het hogerop genoemde subarquata is een vergelijking met de sóórtnaam van de wulp, numenius arquata).

(V) Noors tundrasnipe, de krombekstrandloper broedt vrijwel uitsluitend in het noordelijkste deel van Siberië, op de gordel van de toendra. Verschijnt in Europa op de trek, overwintert in Afrika beneden de Sahara, ook aan kusten van Australië en zuidelijk Azië.