Photo credit: Michele Lamberti via Visual Hunt / CC BY

Limicola falcinellus (Pontoppidan 1763: Scolopax falcinellus). Eng. broad-billed sandpiper. Ned. breedbekstrandloper.

Pontoppidan bedoelde ongetwijfeld: met kleine sikkel, zie plegadis falcinellus voor de zwarte ibis (Latijn falx: sikkel). De snavel is vrij breed en heeft aan de punt een knikje. Door dat laatste kan men aan een sikkeltje denken, hoewel dit iets beter bij de krombekstrandloper past, door Pallas 1811 ‘dus’ trynga falcinella genoemd, zie bij de soort, calidris ferruginea (het past verder ook bij enkele andere steltlopers).

Bij zijn scolopax falcinellus schrééf Pontoppidan: “med et flad og mod Enden nedbøyet Næb”, ‘met een platte en aan het eind naar beneden gebogen snavel’ (p.623). Hij heeft ook de eerste tekening van de vogel. Even later staat bij Brünnich 1764 dezelfde omschrijving (“rostro depresso apicibus decurvatis”, p.49). Pontoppidan en Brünnich kennen de vogel van de trek, vergelijk ‘trek’ bij de krombekstrandloper. Ze werkten samen.

-

Enkele andere namen voor de breedbekstrandloper (de codes zie op Home):

(U) Italiaans gambecchio frullino, gambecchio algemene naam voor de strandlopers (gamba: been, vergelijk dus steltloper), frullino het bokje: de tekening op de rug doet denken aan die van bokje of watersnip, en qua grootte past het bokje, de watersnip niet.

(U) Tringa platyrhincha, Temminck 1820, ‘breedsnavelige tringa’, waardoor ook de Engelse en Nederlandse namen zijn ontstaan. Temminck: de snavel “très-déprimé à la base”, ‘aan de basis sterk samengedrukt’ (II-616), wat hem daar plat en hoog maakt (bij de eenden, zie anas platyrhynchos: plat en breed). Snow 1998 zegt het iets anders: “Long broad bill appears heavy, even swollen (at most angles)”.

(V) Noors fjellmyrløper, bergmoerasloper. In Noorwegen broeden ze in natte delen van de fjell, de bergen, oostelijker daalt het land, broeden ze lager: Fins jänkäsirriäinen, jänkä: moeras, sirriäinen zie bij calidris temminckii. Voor de biotoop zie ook bij limicola.