J. G. Keulemans. Photo credit: BioDivLibrary on Visual hunt / CC BY

Lymnocryptes minimus (Brünnich 1764: Scolopax minima). Eng. jack snipe. Ned. bokje.

Minimus lijkt terug te gaan op Belon 1555. Als echte Franse naam voor het bokje kent hij fouton, maar die is ‘impudique’, niet netjes. Hij gaat terug op Latijn futuere: sex hebben. Het bokje maakt tijdens het foerageren op en neergaande, pompende bewegingen. Svensson 2000 vergelijkt ze met die van een naaimachine. Belon negeert de naam en noemt de vogel la plus petite espece de becassine, de kleinste soort watersnip (p.217). Voor de watersnip had Belon gallinago minor: kleine gallinago. En ‘dus’ vertaalt Aldrovandi 1603 la plus petite espece de becassine met gallinago minima: kleinste gallinago. Latijn minimus: de kleinste, zeer klein. Voor gallinago zie bij gallinago gallinago.

Brünnich haalde hier misschien zijn naam. De grootte geeft hij overigens aan met “Magnitudine alaudae”, ‘de grootte van een leeuwerik’ (p.49). Voor het thema ‘grootte’ zie ook bij de poelsnip, gallinago media.

Linnaeus 1758 mist de vogel, terwijl Willughby 1676 hem van Belon overgenomen had en Albin 1738 er een kleurtekening van had gemaakt (met als naam Engels jack snipe). In 1766 heeft Linnaeus het bokje wel, als scolopax gallinula. Lang is dit dé naam voor de soort, tot men ontdekte dat Brünnich eerder was. Gallinago was de watersnip, gallinula - ‘kipje’, zie bij het genus gallinula - was dan waarschijnlijk contrasterend bedoeld. Voor de grootte.

-

Enkele andere namen voor het bokje (de codes zie op Home):

(U) E jack snipe: kleine snip - jack of Jack kon klein betekenen (Lockwood 1984) - vergelijk Jantje in het Nederlands. Pennant 1768 verkiest deze naam boven half snipe, waarvan Houttuyn in 1763 al half-snepje had gemaakt. Belon 1555 vermeldt deux pour un, ‘twee [bokjes] voor een [watersnip]’. In de vogelhandel ging het om gewicht en geld: het bokje is ongeveer half zo zwaar als de watersnip, en daarmee half het geld.

(G) Bulgaars gloechartsje, de Bulgaarse versie van doverik zie bij lymnocryptes. Voor het eveneens ‘dove’ auerhoen hebben ze gloechar, gelijk aan wat de Russen daarvoor hebben: gloechar’, bij Russisch gloechoj: doof. Voor meer zie tetrao urogallus onder (G).

(V) Fins jänkäkurppa, jänkä een woord voor Noord-Fins moerasgebied met spaarzame begroeiing, kurppa was een naam voor het knorrende geluid van de houtsnip, werd later ‘snip’ algemeen. De naam kan vertaald worden met veensnip. Sami jeaggemeahkástat, jeaggi: veen, moeras, meahkástat: de watersnip (meahkute, Fins määkiä: blaten), deze naam dan ook: veensnip.

(X) N bokje, van oorsprong de watersnip, gallinago gallinago, die wél het geluid van een geit of bokje maakt, zie de namen daar bij (G). Bennet en Olivier 1822 hadden: “De Watersnep, de gemeene Snep, het Bokje” ... “een geluid als een bokje, van waar zij bij het landvolk dien naam ook gekregen heeft” (‘Natuurkundige Verhandelingen’, deel XI, p.280-282). Door een misverstand kwam de naam bij het bokje terecht. Suolahti 1909 geeft voor het bokje een zelfde, Oostenrijks bockerl, weet dat het bokje niet mekkert, interpreteert de naam vervolgens als ‘kleine watersnip’ - de watersnip had Duitse namen waarin bock voorkwam. Misschien klopt het, maar mogelijk was ook dáár ‘bokje’ van oorsprong de watersnip. N bokje is in ieder geval níet ‘kleine watersnip’, want het wás de watersnip. Men vergeleek de vogel met de echte bok, en dan was hij natuurlijk kleiner.