Photo credit: f_snarfel on VisualHunt.com

Limosa limosa (Linnaeus 1758: Scolopax limosa). Eng. black-tailed godwit. Ned. grutto.

Limosa is een door Gesner 1555 opgetekend Italiaans limosa, een naam bij Venetië (voor het ‘Italiaanse’ bij Gesner zie bij de wulp, numenius arquata). Vrij vertaald is het: slikvogel, moddervogel, Latijn limosus betekende slijkerig, modderig (Latijn limus: slijk, modder).

De naam past: de grutto is van oorsprong een vogel van drassige gebieden, is pas later weidevogel geworden (en ook buiten het broedseizoen leeft hij vooral in drassige gebieden). Aan de andere kant: de limosa van Gesner was niet duidelijk de grutto (volgens Springer 2009 had Gesner hem onder Duits deffyt, maar dat is zeer de vraag) (Belon 1555 had hem iets duidelijker). De vogel die Gesner onder limosa beschrijft, lijkt meer een groenpootruiter winterkleed te zijn geweest. Maar het werd als grutto opgevat.

Als ‘slikvogel’ kan limosa in Italië heel goed een naam zijn geweest voor diverse steltlopers, wat vaak vogels van drassige gebieden zijn, in het bijzonder op de trek en in de winter. Gesner zegt iets wat op hetzelfde duidt: limosa en totanus (de tureluur, zie bij tringa totanus), ‘of vergelijkbare vogels’, worden aan de Noord-Duitse kust pfulschnepff genoemd: poelsnip, en dat was dan een algemene naam. Bij Houttuyn 1763 is poelsnep hierdoor een naam voor zowel grutto als tureluur. En pfuhlschnepfe is nú de Duitse naam voor de rosse grutto, maar werd ook voor ándere steltlopers gebruikt. Verder zijn er poelsnip, poelruiter, limicola, tringa stagnatilis, en zo nog vele meer: het gaat om een bij steltlopers veel voorkomend naamtype.

-

Enkele andere namen voor de grutto (de codes zie op Home):

(U) Duits große limose, omdat hij iets groter is dan de rostgelbe limose, limosa lapponica, die onderop gehéél bruinrood is.

(U) E black-tailed godwit, gegeven door Fleming 1828, waarschijnlijk op grond van limosa melanura, een naam van Leisler 1812 (Grieks melas: zwart, oura: staart). Leisler heeft er Duits schwarzschwänziger sumpfläufer bij, voor de rósse grutto heeft hij rostrother sumpfläufer, vaak overigens noemde men juist de grutto rood, want die kende men beter.

(G) N grutto, voor het luide gruto-gruto-gruto. Witrussisch grutsoek lijkt er ook een nabootsing van.

(G) Limburgs widder, en Brabants wetter, waarschijnlijk namen voor het andere opvallende deel van de geluiden: een snel wiete-wiete-wiete. In Engels godwit kan dit ook zitten, en in Deens rødvitte (rød is rood), ‘god’ in de Engelse naam is mogelijk een verbastering, misschien was godwit ooit *ge(r)wit. En dan is er nog het groepje van Frans vetteu, Italiaans vetoea bij Venetië, en Engels ffeddew en ffeddowe, deze bij Turner 1544 tot fedoa gelatiniseerd (later terechtgekomen in limosa fedoa, de marbled godwit van Noord-Amerika) .. Aristoteles had een aigokephalos, een vogel ‘met een geitekop’, mogelijk een uil, zie bij het genus aegolius, maar Belon 1555 denkt aan de grutto: ‘als hij opgeschrikt wordt, roept hij als een geit’, het gemekker à la widder. Bechstein 1793 geeft er een Duits geiskopfschnepfe door, en na 1900 is er limosa aegocephala, lang dé naam voor de grutto .. Tot slot is er Italiaans pittima, wat als gewoon woord kompres betekent, en figuurlijk: opdringerig persoon. In de zin van kompres gaat het terug op Grieks epithema: ‘het óp iets gelegde’, maar pittima is hiermee slecht te verbinden, lijkt er dan los van te staan, kan wél een klanknabootsing zijn, à la widder dus, hooguit met ínvloed van pittima, als men ze in de broedtijd te luidruchtig vond.

(V) Duits schlammling: modderling, slikling, vergelijk de betekenis van limosa. Het zal gaan om de trek, als ze op moddervlakten voorkomen. Schlammling is ook een plant: het slijkgroen, Limosella aquatica.

(V) Zeeuws weimarel (op Texel is er marel zonder meer, de etymologie is onduidelijk). Twents moathenne: weidehen, vergelijk mathoen bij philomachus pugnax. Het lijken de enige namen te zijn waarin de weide zit. In Nederland geldt de grutto als dé weidevogel.