Zomerkleed. Photo credit: Andrej Chudy via Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Limosa lapponica (Linnaeus 1758: Scolopax lapponica). Eng. bar-tailed godwit. Ned. rosse grutto.

Linnaeus weet van de rosse grutto door zijn leermeester Olof Rudbeck die hem in 1695 in Lapland ontdekt en er een tekening van maakt, een mannetje zomerkleed (Springer 2009 stelt dat Gesner 1555 hem al had, onterecht). De rosse grutto broedt op de toendra’s van Eurazië - de westelijkste uitloper van het verspreidingsgebied komt net in Lapland. Houttuyn 1763 vertaalt scolopax lapponica met laplandsche snep. Voor scolopax zie dat genus.

Rudbeck heeft de vogel zonder naam, ook zonder een Zweedse. Heeft alleen: ‘soort wulp’. Vanwege de licht opgewipte snavel zet Linnaeus 1746 hem bij de kluut, de recurvirostra, krombek, zie dat genus, noemt hem “Recurvirostra pectore croceo”, ‘met saffraankleurige borst’ (p.51). Maar hij twijfelt aan plaatsing in dat genus en in 1758 zet hij hem bij de ‘snippen’, in het genus scolopax - en benoemt hem naar waar hij is gezien: “Habitat in Lapponia. Rudbeck” (p.147). Van alleen deze van zijn veertien ‘snippen’ weet hij dat hij alleen in Lapland is gezien.

-

Enkele andere namen voor de rosse grutto (de codes zie op Home):

(U) Frans barge rousse: rossige grutto, Brisson 1760 (barge: grutto, de etymologie ervan is omstreden). Als wetenschappelijke naam geeft Brisson limosa rufa, idem rossige grutto. Houttuyn 1763 vertaalt deze met rosse poelsnep en daaruit komt rosse grutto. Zweeds kopparsnäppa: kopersnip.

(U) E bar-tailed godwit, voor de staart met ‘bars’, hier ‘strepen’. Diverse steltlopers hebben zo’n patroon: de naam is gegeven samen met black-tailed godwit voor dé grutto, ter onderscheiding van de twee. Beide zijn van Fleming 1828.

(G) Sami kudi, lijkt een nabootsing van hun kewíe, koedíe, poewíe. Engels poor willie, waarvan men zegt dat het óók een klanknabootsing is, waarbij dan zal gelden dat poewíe fantasievol ingevuld werd.