Photo credit: Sergey Yeliseev on Visualhunt

Limosa lapponica (Linnaeus 1758: Scolopax lapponica). Eng. bar-tailed godwit. Ned. rosse grutto.

Linnaeus weet van de rosse grutto door zijn leermeester Olof Rudbeck die hem in 1695 in Lapland ontdekt en er een tekening van maakt, van een mannetje zomerkleed (Springer 2009 stelt onterecht dat hij al eerder beschreven is, in Gesner 1555). De vogel broedt op de toendra’s van Eurazië, de westelijkste uitloper van het verspreidingsgebied komt net in Lapland.

Rudbeck heeft de vogel zonder naam, ook zonder een Zweedse. Hij heeft alleen: ‘een wulpensoort’. Vanwege de licht opgewipte snavel zet Linnaeus hem in 1746 bij de kluut, de recurvirostra, de krombek, en noemt hem “Recurvirostra pectore croceo”, ‘recurvirostra met saffraankleurige borst’ (p.51). Maar hij gaat twijfelen aan de plaatsing en in 1758 zet hij hem bij de ‘snippen’, in het genus scolopax. Benoemt hem met lapponica naar waar hij is ontdekt (en Houttuyn 1763 vertaalt scolopax lapponica met laplandsche snep). Van alleen van deze van zijn veertien ‘snippen’ weet Linnaeus dat hij alleen in Lapland is gezien. Zijn samenvatting van de historie tot dan is: “Habitat in Lapponia. Rudbeck” (p.147).

-

Enkele andere namen voor de rosse grutto (de codes zie op Home):

(U) Frans barge rousse: rossige grutto, in Brisson 1760 (barge betekent grutto, de etymologie ervan is omstreden). Als wetenschappelijke naam geeft Brisson limosa rufa, idem: rossige grutto. Houttuyn 1763 vertaalt met een Nederlands rosse poelsnep en daaruit kwam rosse grutto voort. De Zweden hebben kopparsnäppa: kopersnip. Het zijn namen voor het adulte mannetje zomerkleed, waarbij de hele onderkant van een diep bruinrood is.

(U) E bar-tailed godwit, voor de staart met ‘bars’, strepen. Diverse steltlopers hebben zo’n patroon: de naam is gegeven ter onderscheiding van black-tailed godwit voor dé grutto, limosa limosa, waarbij het staartuiteinde ongestreept zwart is. Beide namen zijn van Fleming 1828.

(G) Sami kudi, wat een nabootsing lijkt te zijn van hun kewíe, koedíe, poewíe. Engels poor willie, waarbij men in Engeland ook aan een klanknabootsing denkt, het zal dan zo zijn gegaan dat poewíe fantasievol ingevuld werd.