Photo credit: Leo-Avalon via Visual hunt / CC BY-NC-ND

Dendrocopos major (Linnaeus 1758: Picus major). Eng. great spotted woodpecker. Ned. grote bonte specht.

Major is Latijn maior: groter (in vogelnamen vaak: groot). Medius, voor de middelste bonte specht, is Latijn medius: middelste. Minor, voor de kleine bonte specht, is Latijn minor: kleiner (in vogelnamen vaak: klein). De namen kunnen niet goed los van elkaar worden gezien. Linnaeus 1758 hééft ze ook in deze volgorde, en onder elkaar: picus major, picus medius, picus minor. Met kleine variaties is het een indeling die al langer bestond.

Maar de reeks van Linnaeus is bedrieglijk. Men moet lezen: picus varius major, picus varius medius, picus varius minor. Omdat het om bónte spechten gaat. Latijn varius: bont. Gesner 1555 lijkt ‘bonte specht’ te hebben geïntroduceerd. Zijn kopje: “De Picorum Genere Vario ex albo et nigro” (p.680). In de tekst staat picus varius, maar vooral in het meervoud en zo bedoelt hij het ook, zoals ook in het kopje. Spechten zo bont als de ekster: zwart-wit. ‘Bij de Duitsers heten ze elsterspecht, bij ons Zwitsers aegerstspecht’, beide eksterspecht, dan een algemene naam voor bonte spechten, algemeen doordat ze zo op elkaar lijken. Gesner heeft ook Duits bunterspecht. En door al deze namen komt hij op picus varius.

Van deze hád je volgens hem “zwey oder drey Geschlecht, so allein an der Grösse einen unterscheid haben” (Horst 1669, II-128), herkenbaar zijn bij hem de middelste bonte en de kleine bonte. Bij Belon 1555 iets vergelijkbaars: heeft de middelste, ‘maar er zijn er ook die een wat andere kleurverdeling hebben’, gezien zijn beschrijving waarschijnlijk vooral de grote bonte. Ray 1694 heeft al vrij zeker alle drie. En heeft in de namen nog varius - zoals Albin 1731 picus varius major heeft bij een van de oudste kleurtekeningen van de gróte bonte (Olson 2007 geeft een oudere uit de 16e eeuw). Linnaeus heeft zéker alle drie. Maar laat varius weg, gebruikt dit alleen in zijn omschrijvingen, bij de grote bonte bijvoorbeeld: “Picus albo nigroque varius” (p.114). Hij wil binomiale namen, zie de Inleiding. En zo ontstaat picus major: grote specht, terwijl groene en zwarte specht groter zijn.

Tegenwoordig is de ‘ramp’ minder groot: doordat major, medius en minor in dendrocopos zitten, betekenen de namen toch weer iets. Alleen bij major stelt het weinig voor: dendrocopos syriacus is ongeveer even groot, dendrocopos leucotos is groter. De Engelse en Nederlandse namen voor de drie hebben het bonte wél bewaard.

-

Enkele andere namen voor de grote bonte specht (de codes zie op Home):

(U) Duits rotspecht: rode specht, opgetekend in 1521, nu de naam voor de grote bonte, altijd ook voor de andere bonte gebruikt - een algemene naam dus, zoals ook buntspecht: ze zijn synoniem (in 1746: “Roth- oder Bunt-specht”). Italiaans picchio rosso maggiore: grote rode specht, picchio rosso ook in de namen van de andere bonte - in plaats van het bonte zoals in grote bonte specht zit in Italië dus het rode. In Korea doen ze het wéér anders, de grote bonte heet er o-saek-ttakdaguri: vijfkleurige specht, o: vijf, saek: kleur, ttakdaguri: specht (de naam een transcriptie). Ook enkele andere bonte noemen ze vijfkleurig.

(U) Noors kraspjøt: kraaispecht, maar Noorwegen heeft niet de zwárte kraai, alleen de bonte, de naam dan waarschijnlijk voor het bonte, zoals ook ‘eksterspecht’ hogerop (en net als deze ook een algeméne naam). In Duitsland, waar men vooral de zwarte kraai heeft, was krahspecht ook een specht, maar de zwarte.

(G) Zeeuws-Vlaams roffelaer, wat een naam voor bijna alle Europese spechten kon zijn, omdat de meeste roffelen, maar hij is opgegeven voor de grote bonte, in veel gebieden de bekendste bonte specht. Twents kloppermenneke, idem opgegeven voor de grote bonte, maar Dijkhuis 1979, ‘Twents in woord en gebruik’, geeft hem alleen in het meervoud: ‘kloppermännekes - spechten’. Voor algemene spechtnamen zie ook bij de Picidae, en bij dendrocopos.

(G) Oostfries spint-fögel, vogel die insecten zoekt in het zachte hout onder de schors, spint: “der weichere Theil des Holzes zwischen der Rinde und dem Kernholze”. Nederduits holtfreeter: houtvreter, naam op Borkum, als Holtfeter ook een familienaam, waarin het wel om Specht zal gaan, niet om Houtvreter. Spechten doen van alles met hout/bomen - hier vooral het hakken van een nestholte bedoeld? Er is ook geopperd dat mensen misschien dachten dat hij van dat gehakte hout lééfde.

(G) Fins käpytikka, käpy: dennenappel, tikka: specht (zie bij de Picidae). Naast de syrische bonte specht is het vooral de grote bonte die in de winter dennenappels in een boomspleet klemt, om er de zaden uit te hameren. In Nederland heet zo’n plek ‘spechtensmidse’, in Engeland ‘smithy’, ook ‘anvil’: aambeeld. Zoals bij de smid de vonken, zo vliegen bij de specht de schilfers in het rond.