Winterkleed. Photo credit: Hiyashi Haka on Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Tringa erythropus (Pallas 1764: Scolopax erythropus). Eng. spotted redshank. Ned. zwarte ruiter.

Erythropus is ook gebruikt voor de dwerggans, anser erythropus, en voor kokmeeuw, roodpootvalk, bontbekplevier. Afhankelijk van het gebruik ervan betekent de naam ‘roodpoot’ of ‘met rode poten’. Grieks eruthros: rood, pous: voet, poot. De zwarte ruiter heeft in de broedtijd zwarte poten, daarbuiten rode.

De Grieken hadden al een eruthropous: een van ‘De Vogels’ van de Griekse schrijver Aristophanes. De soort is onduidelijk. Arnott 2007 denkt aan de tureluur, maar diverse soorten komen in aanmerking. Belon 1555 heeft de naam in een groepje klassieke namen waar hij geen raad mee weet. Gesner 1555 weet het ook niet, verwijst wel naar een erythropus van hemzelf, een juveniele zwarte ruiter, erythropus hier waarschijnlijk zijn vertaling van Duits rotbein, een naam voor diezelfde vogel, maar waarschijnlijk ook wel voor de tureluur. Mogelijk nam Pallas - hier Vosmaer, zie Pallas 1764 bij de Literatuur - die naam van Gesner over.

Belon benoemde de poten ook, bij zijn chevalier rouge, rouge voor rode poten en rode snavel, een zwarte ruiter winterkleed. Mogelijk had hij hem ook in het zomerkleed, met chevalier noir. Olson 2007 vermeldt voor de zwarte ruiter drie kleurtekeningen uit de 16e eeuw, waarop drie verschillende kleden.

-

Enkele andere namen voor de zwarte ruiter (de codes zie op Home):

(U) Totanus fuscus, Leisler 1812, lang de officiële naam, tot men die van Pallas ontdekte, de naam voor het zwartachtige zomerkleed (Latijn fuscus: bruin, donker, zwartachtig). Verwarring was er doordat Linnaeus 1758 een scolopax fusca had, maar dat bleek de door Catesby 1731-1743 beschreven juveniel van nu eudocimus albus te zijn, de white ibis van Noord-Amerika: door het donkere daarvan, en de snavel als van een wulp, gaf Catesby brown curlew, waardoor Linnaeus aan ‘snip’ zal hebben gedacht: scolopax. Gmelin 1789, Linnaeus voortzettend, vervángt de soort, begreep misschien dat fusca geen soort wás, geeft scolopax fusca voor de zwarte ruiter, fusca nu gebaseerd op limicola fusca Brisson 1760, barge brune Buffon 1770-1783, dusky snipe Latham, alle: zomerkleed zwarte ruiter. Bechstein 1809 maakt er totanus fuscus van, met daarbij Duits dunkelbrauner wasserläufer. Leisler volgt Bechstein.

(U) E spotted redshank, een redshank dus, een tureluur, maar een gevlekte. Het lijkt dan een naam voor het zomerkleed, de witte spikkels op de donkere rug, maar het gaat terug op Latham 1785 die met zijn spotted snipe het winterkleed beschreef, de naam voor de “triangular white spots” op rug en vleugels (p.148). De zwarte ruiter heeft dit sterker dan de tureluur.

(U) Zweeds harlekinsnäppa, in 1832 harlequinssnäppa, gezien de bonte kostuums van harlekijns een naam voor het zomerkleed, zie ook de harlekijneend, histrionicus histrionicus. Russisch sjtsjegol’, ook een naam voor de putter, daar klanknabootsend. Als Russisch wóórd is sjtsjegol’: dandy. Vasmer 1950-1958: mogelijk ontstond die betekenis door de vele kleuren van de putter (er kwam ook sjtsjegoljat’: elegant gekleed zijn). Bij de zwarte ruiter zou het dan voor het elegante zomerkleed zijn. Bij de harlekijneend zit dat ‘heertje’ ook. En zie ook ‘dandy’ bij het genus bombycilla voor de pestvogel, ook zo’n heertje.

(G) Fries sewyt en Vlaams tjewiet, ongetwijfeld van de luide roep, een tweelettergrepig tje-wiet. Fins tiutti in musta-tiutti zal er ook voor staan (uitspraak: tjoetti - musta: zwart, donker). Sami rivikt misschien ook, maar wellicht beter: voor het tjik-tjik-tjik bij onraad.