Photo credit: Ján Svetlík on VisualHunt / CC BY-NC-ND

Tringa nebularia (Gunnerus 1767: Scolopax nebularia). Eng. greenshank. Ned. groenpootruiter.

Latijn nebula was de mist, de nevel, en nebularius betekent dan: met betrekking tot mist of nevel, vergelijk strix nebulosa bij de laplanduil. Het vage 'met betrekking tot' leidde tot interpretaties. Gotch 1981: de soortnaam is “a reference to the bird’s habitat on marshy ground where it is often misty”. Lederer 2014: het is er een voor het “grayish-brown winter plumage”, vergelijk ‘grijze nevel’. Jobling 2010 komt dichterbij, heeft in ieder geval de Noorse naam waar het op teruggaat: “Norwegian name Skoddefoll mist-foal [...] alluding to its misty, marshy habitat and supposed whinnying cries” (Engels whinny: hinniken).

Gunnerus beschrijft de groenpootruiter in een voetnoot bij 'Beskrivelse over Finmarkens Lapper', zie de Literatuur. ‘Van de watersnip onderscheiden wij’ “Skodde-Folen (i. e. Hinnulus nebularius)” (p.250). Latijn hinnulus betekende jong hert, jonge geit, jonge muilezel. Noors fole, Engels foal, Nederlands veulen, zijn óók een ‘jong’. Noors skodde is de mist. Kortom: van de watersnip onderscheiden wij het mist-veulen (en samen met hinnulus nebularius leidde dit tot scolopax nebularia: mist-snip).

Gunnerus verwijst naar Strøm 1762, 'Physisk og Oeconomisk Beskrivelse over Fogderiet Søndmør', ‘waar hij uitvoeriger beschreven is’. Maar Strøm onderscheidt niet, heeft skodde-foll als een naam voor de watersnip, vergelijkt met Noors taage-hest daarvoor: nevel-paard, “fordi den ikke gierne lader sig høre uden i taaget Veir”, laat zich vooral horen bij mistig weer (p.251). Bij de steltlopers was er maar één een veulen of geit: de watersnip, gallinago gallinago, door het beroemde ‘gemekker’, hoog in de lucht. Hij kreeg er een groot aantal namen voor, in Nederland onder andere hemelgeitje.

De watersnip hoor je in de lente vooral tijdens de ochtend- en avondschemering en een associatie met mist of nevel is dan snel gelegd. Nebularia heeft dus niets te maken met de biotoop van de groenpootruiter, of met hinniken van de groenpootruiter (echt of verondersteld): de naam is een misverstand, een gevolg van de moeite die men had de nieuwe soort te plaatsen, wat bij steltlopers niet verwonderlijk was. Gunnerus worstelt er mee, komt er niet goed uit. Strøm, waarbij de beschrijving duidelijk de groenpootruiter is, zét hem bij namen voor de watersnip, máákt er als het ware een watersnip van. Eindigt wel met: als het toch niet de watersnip is, dan is het een nauw verwante soort. En dat was het.

Kortom: het was de groenpootruiter, maar zijn naam kreeg hij van de watersnip.

Bij de moeite die men met steltlopers veelal had, valt op dat diverse schrijvers vóór Gunnerus en Strøm de groenpootruiter al hadden, met variërende graden van waarschijnlijkheid: Gesner 1555 met glutt, een klanknabootsing, en ook limosa, zie bij limosa limosa, Aldrovandi 1603 met pluvialis maior, Willughby 1676 met dezelfde naam, maar meer informatie. Albin 1734 heeft een duidelijke kleurtekening, met daarbij Engels barker, Olson 2007 vermeldt enkele kleurtekeningen uit de 16e eeuw, met daarbij Frans chevalier verd: groene ruiter.

-

Enkele andere namen voor de groenpootruiter (de codes zie op Home):

(U) E greenshank, gevormd naar redshank voor de tureluur. De naam gaat terug op green shank in Pennant 1768, die de groenige poten niet noemt, maar wel schrijft: “These birds are the Chevaliers aux pieds verts of the French” (II-357). Albin 1734 lijkt die Franse naam te vertalen met green leg’d horsman, groenpootruiter, maar bij een plaat (nr. 69) die geen groenpootruiter is. In de beroemde ‘Encyclopédie’ van Diderot en d’Alembert (1751-1772) stáát chevalier aux pieds verts, maar zonder soort. Gezien 1734 moet er een oudere vermelding zijn. Olson 2007, zie hogerop, heeft uit de 16e eeuw chevalier verd: groene ruiter. Dat is nog niet: met groene poten, maar op de tekeningen stond óók: chloropus, groenpoot (vergelijk gallinula chloropus voor het waterhoen). En dan zijn we er.

(G) Sami klivi, waarschijnlijk een naam voor het herhaalde kluwíe. Vlaams tjuwer, waarschijnlijk voor de bekendste roep, een fluitend, meestal drielettergrepig tjuu-tjuu-tjuu, waarvoor ook tiou-tiou in het Franstalige deel van Zwitserland zal staan. Fins vikla en viklo zijn minder goed te plaatsen, maar worden ook gebruikt voor ‘iemand die steeds herhaalt’, en die betekenis kan hier heel goed zitten (vergelijk het thema ‘herhaling’ bij Nederlands tureluur voor tringa totanus).

(V) Italiaans pantana, horend bij pantano: moeras, vergelijk het Pantanal in het midden van Zuid-Amerika, een moerasgebied (alles teruggaand op Latijn palus: moeras - palus > paludanus > paldanus > paltano > pantano). Op de trek naar Afrika zitten ze soms bij een moeras, bij Venetië ook in de winter.

(X) Frans chevalier aboyeur, ‘ruiter blaffer’, de officiële Franse naam, maar de verkeerde. Buffon 1770-1783 gaf hem, door barker bij Albin zie hogerop (barker is blaffer). Albin hád de groenpootruiter maar gaf er de verkeerde naam bij. Newton 1893-1896 en Lockwood 1984 schrijven: barker was een naam voor de grutto en voor de kluut, vanwege hun harde geluiden.

(X) Totanus glottis, in Bechstein 1809, vroeger soms als de officiële naam gebruikt. De glottis was een vogel bij Aristoteles, mogelijk de draaihals, maar er was ook Duits glutt voor de groenpootruiter, zie hogerop, en Gesner schreef dat dit misschien de glottis was (‘en anders een verwánte soort’). Deze bijna-gelijkstelling gaf een verwarring waar men niet meer uitkwam, en gaf ook totanus glottis. Van gluttsnäppa, de Zweedse naam voor de groenpootruiter, dachten sommigen ook dat hij uit glottis voortkwam. Het deel glutt zal ontleend zijn aan Duits glutt.