Photo credit: Hoppy1951 on VisualHunt.com / CC BY-NC-ND

Tringa ochropus Linnaeus 1758. Eng. green sandpiper. Ned. witgatje.

Gesner 1555 is de eerste die het witgatje beschrijft: ochropus medius, ochropus bedoeld als zelfstandig naamwoord. Het is een gelatiniseerde samenstelling van Grieks ochros: geelachtig bleek (daaruit ‘oker’) en pous: voet, poot. Linnaeus schrijft abusievelijk tringa ocrophus, wat later gecorrigeerd is. Springer 2009 stelt onterecht dat ochropus medius de kanoetstrandloper was.

Men zegt vaak dat de naam niet past, omdat het witgatje gróene poten heeft, olijfkleurige. Gesner wist dit echter: “die Bein fast dunckelgrün” (Horst 1669, I-235). Maar hij gebruikt ochros voor geelachtige én groenachtige poten - ochropus kon bij hem geelpoot of groenpoot zijn. Bij Linnaeus zie je hetzelfde: hij heeft ochropus, maar in de omschrijving van de vogel: “pedibus virescentibus”, ‘de poten groenachtig’ (p.149). Ook in het kleurenspectrum zitten groen en geel dicht bij elkaar.

De groenpootruiter heeft ook groenachtige poten. Maar Zweeds grönbena is de bosruiter, een vogel met okerkleurige poten. Diverse steltlopers zijn naar de kleur van hun poten benoemd. De kans daarop was groot, wanneer je steltloper heette.

-

Enkele andere namen voor het witgatje (de codes zie op Home):

(U) N witgatje, ook een naam voor tapuit, huiszwaluw, waterhoen, stormvogeltje. Fries wytgatsje bosruiter. Duits weißarsch witgatje, roodkopklauwier. Frans culblanc witgatje, tapuit, huiszwaluw, vaal stormvogeltje. En zo zijn er nog meer - veel vogels hebben een wit gatje of witte stuit (met gatje bedoelde men trouwens vaak de stuit). Bij de steltlopers kwam de naam misschien juist bij het witgatje terecht omdat hij vrij donker is, ook de ondervleugels: bij opvliegen valt het (zwart)witte sterk op. De Russen zagen het anders: tsjernusj, ‘zwartje’, voor het dónkere deel van de vogel.

(U) E green sandpiper, volgens sommigen voor de olijfkleurige poten, zoals ochropus, maar Pennant 1768, die de naam gaf, heeft in de tekst: bovenop “of a dusky green, glossy and resplendent as silk, and elegantly marked with small white spots” (p.372), zie de foto. Hij zegt niet dat hij de naam daarvoor gáf, maar het ligt voor de hand. De poten noemt hij niet eens.

(G) Duits tluit - in de zang en in de vluchtroep zit een enigszins scherp, fluitend, tluuiewie. Er is ook Duits (waarschijnlijk Noordduits) sievenwiewelken, een naam die met zijn fluitende karakter op z’n minst de índruk maakt klanknaam te zijn, waarschijnlijk dan voor de zang, waarin het tuuie-tluuie alsmaar doorgaat.

(V) Zweeds skogssnäppa: bossnip - broedt in nat bos, of bij met bomen omzoomd moeras, nestelt meestal in een boom, vooral in oude nesten van ándere vogels (snip: men zag een gelijkenis met de watersnip, ook door de zigzaggende vlucht). Voor skogssnäppa zie ook bosruiter bij tringa glareola, maar het witgatje is de échte bosruiter. De Zweden zagen dat makkelijker.

(V) Engels drain swallow, drain: afvoersloot. Zit op de trek vaak in een sloot, vliegt plotseling op, en het huiszwaluwachtige zwart-wit patroon is dan mooi te zien. Zweeds gropsvala, grop: kuil, holte, de naam dan gelijk aan drain swallow. Pools samotnik - is als wóórd: ‘eenling’ (sam: zelf, alleen), ook heet hij: brodziec samotny, eenzame waadvogel (brodzić: waden). Op de trek zijn ze vaak in hun eentje.