Photo credit: Jan Thomas Landgren on VisualHunt.com / CC BY-NC-ND

Tringa ochropus Linnaeus 1758. Eng. green sandpiper. Ned. witgatje.

Gesner 1555 is de eerste die het witgatje beschrijft, met ochropus medius, ochropus bedoeld als een zelfstandig naamwoord. Het is een gelatiniseerde samenstelling van Grieks ochros: geelachtig bleek (waaruit ook ‘oker’ kwam), en Grieks pous: voet, poot. Linnaeus schrijft abusievelijk tringa ocrophus, wat later gecorrigeerd is. Springer 2009 stelt onterecht dat ochropus medius de kanoetstrandloper was.

Men zegt vaak dat de naam niet past, omdat het witgatje gróene poten heeft, olijfkleurige. Gesner wist dit echter: “die Bein fast dunckelgrün” (Horst 1669, I-235). Hij gebruikt ochros voor geelachtige én voor groenachtige poten, ochropus kon bij hem geelpoot of groenpoot zijn. Bij Linnaeus zie je hetzelfde: hij heeft ochropus, maar in de omschrijving van de vogel staat: “pedibus virescentibus”, ‘de poten groenachtig’ (p.149). Ook in het kleurenspectrum zitten groen en geel dicht bij elkaar.

Ook de groenpootruiter, tringa nebularia, heeft groenachtige poten. Maar Zweeds grönbena is dan weer de bosruiter, tringa glareola, die okerkleurige poten heeft. Diverse steltlopers zijn naar de kleur van hun poten benoemd. De kans daarop was ook groot, wanneer je een steltloper was.

-

Enkele andere namen voor het witgatje (de codes zie op Home):

(U) N witgatje, maar zo noemde men soms ook tapuit, huiszwaluw, waterhoen, stormvogeltje. En Duits weißarsch werd ook gebruikt voor de roodkopklauwier. Frans culblanc ook voor tapuit, huiszwaluw en vaal stormvogeltje (en Fries wytgatsje is de bosruiter). En zo zijn er nog meer, véél vogels hebben een wit gatje of een witte stuit (met gatje bedoelde men vaak de stuit). Bij de steltlopers kwam de naam misschien juist bij het witgatje terecht omdat hij vrij donker is, ook de ondervleugels zijn dat: bij opvliegen valt het (zwart)witte sterk op.

(U) Russisch tsjernusj, ‘zwartje’, voor het dónkere deel van de vogel.

(U) E green sandpiper, volgens sommigen een naam voor de olijfkleurige poten, zoals ochropus, maar Pennant 1768, die hem gaf, heeft in de tekst: hij is bovenop “of a dusky green, glossy and resplendent as silk, and elegantly marked with small white spots” (p.372). Hij zegt niet dat hij de naam daarvoor gáf, maar het ligt voor de hand. De poten noemt hij niet eens.

(G) Duits tluit - in de zang en in de vluchtroep zit een enigszins scherp, fluitend, tluuiewie. Verder is er Duits (Noordduits?) sievenwiewelken, een naam die door zijn fluitende karakter bijna niets anders dan een klanknaam kan zijn, en waarschijnlijk is het er dan een voor de zang, waarin het tuuie-tluuie alsmaar doorgaat.

(G) Pools samotnik - betekent als gewoon woord ‘eenling’ (sam: zelf, alleen) en hij heet ook brodziec samotny: eenzame waadvogel (brodzić: waden). Op de trek zijn ze vaak in hun eentje.

(V) Zweeds skogssnäppa: bossnip - het witgatje broedt in nat bos, of bij met bomen omzoomd moeras, en nestelt meestal in een boom, vooral in oude nesten van ándere vogels (snip: men zag een gelijkenis met de watersnip, ook door de zigzaggende vlucht). Voor skogssnäppa zie ook bosruiter bij tringa glareola, maar het witgatje is de échte bosruiter. De Zweden zagen dat makkelijker.

(V) Engels drain swallow, drain betekent afvoersloot. Het witgatje zit op de trek vaak in een sloot (de zwaluw zit er vanwege het huiszwaluwachtige zwart-wit-patroon bij opvliegen, vergelijk bij witgatje hogerop). Een vergelijkbare naam is Zweeds gropsvala, grop betekent kuil, holte.