Leopold Fitzinger, 1864. Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Philomachus pugnax (Linnaeus 1758: Tringa pugnax). Eng. ruff. Ned. kemphaan.

Uit Vlaanderen ontvangt de Italiaan Ulysse Aldrovandi tekeningen van kemphanen en neemt ze op in zijn ‘Ornithologia’ van 1603. Er zat ook een Vlaamse naam bij: kemperken, een vorm bij Middelnederlands kempen: strijden, vechten, een tweekamp voeren. Aldrovandi maakt er pugnax van, eigenlijk avis pugnax, de vorm die ook ná Aldrovandi het meest wordt gebruikt, tot tringa pugnax van Linnaeus. Latijn pugnax betekende strijdlustig, pugnare strijden, slag leveren. Zie ook philomachus.

De ‘strijdlustige vogel’ heet zo door de gevechten in de balts, gevoerd door mannetjes met verschillend gekleurde ‘kragen’. De tekeningen in zwart-wit bij Aldrovandi laten ze zien, beter natuurlijk de gekleurde versies die hij had. Op die staat steeds kemperken als naam, maar op de eerste ook avis pugnax, én de mededeling dat hij er een reigersoort in ziet. De kragen hebben altijd indruk gemaakt, zijn vaak geschilderd. In Lapland kregen de vogels bijnamen naar het type kraag: schout, opzichter, districtshoofd, bisschop, priester, koster, koning. Aanduidingen van autoriteitsfiguren, wat bij zulke kragen natuurlijk niet vreemd is (de Laplandse kemphaan weerspiegelt in zijn eentje een hele cultuur). De gevechten zijn schijngevechten, maar de naamgevers in de Lage Landen lijken er echte in te hebben gezien: Aldrovandi las ook dat de mannetjes elkaar doodvechten (“sese mutuo occidere”, p.413). Men heeft de gevechten vaker zo geïnterpreteerd. Mogelijk vergeleek men met hanengevechten.

Onder andere Arnott 2007 vraagt zich af of de memnonides van de Grieken, vogels van de held Memnon, toevallig niet kemphanen waren (men had ze op de trek kunnen zien, mogelijk inclusief de balts). Duidelijk is wel een 16e eeuwse Franse kleurtekening, gepubliceerd in Olson 2007, misschien ouder dan die die Aldrovandi ontving. Daar opnieuw een Vlaamse naam: mathon, mathoen, letterlijk weidehoen, vergelijk Twents moathenne voor de grutto, limosa limosa, en mathoen voor mogelijk de tureluur, uit 1581 (moat, Duits matte, Engels meadow: weide). Het was een naam voor steltlopers die men in graslanden zag.

Opvallend is dat Turner 1544 de kemphaan niet had, in Engeland broedde hij lang geleden “in many areas”, schrijft Snow 1998. Gesner 1555 en Belon 1555 hadden hem ook niet, maar dat kwam waarschijnlijk door het geringe voorkomen in hun landen.

-

Enkele andere namen voor de kemphaan (de codes zie op Home):

(U) Duits renomist, vermeld in Bechstein 1793. De naam hoort bij renommieren: pochen, een werkwood dat ontleend was aan Frans renommer: loven, verheerlijken (‘hernoemen’). Rond 1586 werd op een Engels pamflet tegen de opzichtige mode van die tijd de kemphaan opgevoerd als een toonbeeld van ijdelheid. Bechstein 1793 vermeldt ook Nederduits mönnick: monniken droegen kappen. In China is er liú-sū yù: snip met franje. Limburgs sorthaan kwam waarschijnlijk voort uit Frans sort, lot (Frans sortilège is tovermiddel, Engels sorcery is tovenarij): in het Middelnederlands was er ‘sijn sort werpen’, middelen aanwenden om iemand te betoveren, hier: met die kraag. Als een naam aan de kust van Picardië vermeldt Buffon 1770-1783 cotteret garu: cotteret is rokje (cotte zat in de Middeleeuwen onder andere in ‘cotte de mailles’, maliënkolder, een beschermend hemd in de strijd), garu lijkt te horen bij se garer: ontwijken, vroeger: zich beschermen tegen, en cotteret garu is dan, vrij vertaald: afweer-rokje .. In een deel van de namen zit naast de kraag zelf, het gedrag in de balts, of hoe men dat interpreteerde (pochen, betoveren).

(G) Duits streitschnepf, in Frisch 1763. Frans combattant: strijder, in Brisson 1760. Swahili chokowe mjasiri: moedige strandloper (chokowe is een algemene naam voor de strandlopers). Luxemburgs ambraskréimer: druktemaker, ambras uit Frans embarras: drukte, verlegenheid (vergelijk Engels embarrassment).

(G) Russisch toeroechtan, volgens Russische etymologen een klanknabootsing. De kemphaan is opvallend stil, zelfs tijdens de opgewonden balts, is in Vlaanderen zwijger genoemd (waarin wellicht verbazing zat, over het contrást met die balts), maar hij heeft wel een zacht hu-hu-hu, ook toek-toek-toek, soms een diep groe-groe-groe, en toeroechtan kan dan een klanknabootsing zijn.

(?) Zweeds brushane: bruishaan. Nielsen 1989 verbindt de naam met bruse: zich uitbreiden, en dan is het er een voor ‘het uitzetten van de kraag’ in de balts. Maar er is ook Zweeds brusa upp: driftig worden, en dan zou het om de balts zelf kunnen gaan. Of er zit een combinátie van kraag en gedrag, zoals ook bij (U).

(?) E ruff, en het vrouwtje heet reeve, hoewel de meesten denken dat reeve oorspronkelijk een naam voor het mannetje was. Zoals velen verbindt ook Lockwood 1984 ruff met Engels ruff: kraag - reeve, in 1512 ree, vergelijkt hij met dialect ree: waanzinnig, Oudengels hrēoh: wild, heftig (de balts). Kitson 1998 is niet overtuigd, denkt dat ook ruff teruggaat op hrēoh en dat de gelijkenis met ruff toeval is (ruff zou in een ander dialect zijn ontstaan dan reeve, vandaar het verschil).