Photo credit: BZD1 via VisualHunt.com / CC BY-NC-ND

Larus argentatus Pontoppidan 1763. Eng. herring gull. Ned. zilvermeeuw.

Larus argentatus betekent: verzilverde meeuw (Latijn argentatus: verzilverd, met zilver beslagen, Latijn argentum: zilver). Coomans 1947 vertaalt argentatus met zilverwit, en dan is het een naam voor het vele wit. Gotch 1981 denkt aan zilvergrijs, bedoelt het zilverachtig grijze bovenop. Pontoppidan gaf geen uitleg.

Diverse meeuwen en sterns kunnen door het witte en grijze een verzilverde indruk maken, zeker bij bepaald licht. Voor de grote burgemeester is er ‘dus’ Zweeds silvermås: zilvermeeuw, voor de noordse stern is er Zweeds silvertärna. Pontoppidan kende voor de drieteenmeeuw Deens lille sølv: kleine zilver. Mogelijk kwam hij daardoor op ‘zilver’, uitgaand van een verondersteld stor sølv voor de zilvermeeuw: grote zilver.

Door het witte en grijze was het benoemen van meeuwen en sterns niet makkelijk, zie ook bij larus canus en larus glaucoides. Het thema was er al lang. Gesner 1555 schrijft bij ‘meeuw’ dat er diverse soorten zijn: grote en kleine, witte en grijze. Belon 1555 zegt ongeveer hetzelfde. En Aristoteles had een witte en een grijze meeuw ..

Van Cantimpré ±1240 had de zilvermeeuw waarschijnlijk al, gezien de beschrijving die hij geeft. Als naam heeft hij meauca, een vorm bij meeuw. Zijn informatie had hij uit ‘Liber rerum’, het werk van een nog steeds onbekende schrijver. Over de grijze van Aristoteles denkt zowel Pollard 1977 als Glardon 1997 dat het de geelpootmeeuw was, larus michahellis. Aristoteles had het over “laros to chroma spodoeides”, de huidskleur is asachtig (Grieks spodos: as). Belon maakt er nog een laros spodoides van. Maar grijze as op rug en vleugels, dat hadden er nu juist zoveel.

-

Enkele andere namen voor de zilvermeeuw (de codes zie op Home):

(U) Larus cinereus maximus, in Willughby 1676: grootste asgrijze meeuw (de grootste van die Willughby kende). Hij is ‘zo groot als een tamme eend’, ‘komt bij ons veel voor, maar voor zover ik weet is hij nog nooit beschreven’ (van Van Cantimpré hierboven wist men nog niet).

(G) Canadees lookabout: rondkijker, speurder, een naam op Nova Scotia voor hoe ze vliegend naar voedsel zoeken - wat natuurlijk niet alleen de zilvermeeuw doet, maar op Nova Scotia was dit dé meeuw.

(G) E herring gull, een naam in Willughby 1676, en Ray 1678 schrijft daarna: “They say that it preys upon Herrings” (p.345), wat later in diverse boeken zelfs zonder ‘they say’ wordt gezegd - maar ze doen het niet, wel pakken ze wat ze krijgen kunnen, dus ook vis of visafval op havenkaden en bij visserboten, waar soms ook haring bij is, en zo ontstond de naam misschien - of vissers dáchten dat ze haring pakten.

(G) Engels cat gull, vergelijk 'miauwen' bij larus, onder meeuw, voor het geschreeuw van meeuwen gebruiken Engelsen soms meowing (‘they meow like cats!’). Noordduits (Oostfries) katthals, waarin eventueel ook die kat zit, maar er is daar ook het werkwoord katthalsen: ruziemaken, misschien is dat bedoeld (halsen is: zich afmatten) (katt is misschien verwant met Engels chat). Naast ruziemaken: er is ook Engels laughing gull, meer hierover bij larus cachinnans.

(V) Noord-Amerikaans harbor gull. Pearson 1936, ‘Birds of America’: “The most abundant gull along the Atlantic coast. They come into the harbors and fly about the piers”. Zoals ze natuurlijk ook in Europa doen. In Zeeuws-Vlaanderen was er de bijnaam duif van de havenmeester.

(X) De zilvermeeuw kreeg aan de Noordzee allerlei bijnamen doordat men hun eieren raapte, soms ook verkocht: Gronings voogd zien hounder (kippen van de strandvonder van Rottumeroog), Fries amelanner hinnen (kippen van Ameland), Noordduits sielvader sien höhner (hoenders van de sluiswachter). Door de eieren die zíj van vogels pakten kregen ze Engels egg gull als naam.