Photo credit: Bengt Nyman on Visualhunt.com / CC BY

Larus marinus Linnaeus 1758. Eng. great black-backed gull. Ned. grote mantelmeeuw.

Latijn marinus betekende: van de zee (mare is de zee) en larus marinus is dan: zeemeeuw. De grote mantelmeeuw broedt vooral aan zee, maar daar vind je ook zilvermeeuw, drieteenmeeuw, kleine mantelmeeuw, grote burgemeester, enzovoort.

Linnaeus zal voor larus marinus niet hebben vergeleken met andere meeuwen: hij nam de naam gewoon over. Maar foutief. Van het Zweedse eiland Gotland kende hij de grote mantelmeeuw, van Clusius 1605 kende hij er larus ingens marinus voor: zeer grote zeemeeuw - het is de grootste Europese meeuw - Clusius: ‘van de grootte van een gans’ - het staat al bij Belon 1555, de eerste die deze “oyseau de marine” had (p.167). Maar Linnaeus laat ‘ingens’ weg - omdat hij binomiale namen wil, zie de Inleiding - en terwijl Clusius de grootte benadrukte, benadrukt Linnaeus in larus marinus ineens de zee.

Mogelijk speelde naast het binomiale ook Zweeds havstrut een rol, wat tegenwoordig de officiële Zweedse naam is. Hij betekent: zeemeeuw (hav is de zee, voor trut, meeuw, zie verderop). Maar op de achtergrond speelde zeker ook een al oud larus marinus een rol, een naam die ontstaan was uit namen rond de Noordzee. Uit 1581 is er Nederlands zee meeuwe. En Gesner 1555 vermeldt, voor waarschijnlijk de zilvermeeuw, larus argentatus, Fries seemew: “id est larus marinus” (p.566). Turner 1544 heeft Engels seegell - tegenwoordig is het sea gull - en larus marinus als een vertaling ervan. In Europa noemde men meeuwen vaak zeemeeuwen. Vaak was ‘zeemeeuw’ zelfs een bijna net zo algemene naam als 'meeuw', in zekere zin was het een synoniem daarvan - meeuwen leefden toen minder in het binnenland. Als naam voor een specifieke soort past larus marinus niet (wat Linnaeus zich waarschijnlijk niet realiseerde). Larus maximus was beter geweest. Of larus imperator. Zeemeeuw voor een soort betekent eigenlijk niets.

-

Enkele andere namen voor de grote mantelmeeuw (de codes zie op Home):

(U) N grote mantelmeeuw, zie bij de kleine mantelmeeuw, larus fuscus.

(U) Noors svartbak: zwartrug, uit Oudnoords svartbakr, waarvan men denkt dat het de grote mantelmeeuw was (Engels back: rug, Oudnoords bak, in het Nederlands vooral nog bekend in ‘achterbaks’). Schots baakie, ‘ruggie’, het zwarte hoefde er niet eens meer bij. Canadees minister gull, de minister is de predikant, minister gull was een naam voor ‘black mantle and white vest’. Engels parson gull, de parson is de dominee, de naam is opgetekend voor beide mantelmeeuwen.

(U) Frans grisard, een naam in Belon 1555 voor de 'grijze' juveniel, waarin men een soort zag. De naam werd ook gebruikt voor de juvenielen van de andere grote meeuwen. Buffon 1770-1783 schreef dat het vróuwtje van de grisard slechts verschilde door de grootte (ze was kleiner). Misschien was dat 'vrouwtje' dan de juveniel van zilvermeeuw of kleine mantelmeeuw.

(G) Zweeds glåptrut, volgens Hortling 1944 een naam voor de glupskhet, de vraatzucht (vergelijk Zweeds glåpa: haastig eten). De grote mantelmeeuw pakt onder andere vogels, bijvoorbeeld papegaaiduikers (op het water, in de lucht, of als ze uit hun nestholte komen).

(?) Zweeds trut - is een onderdeel van de namen voor de grotere meeuwen, misschien voor de veel forsere snavel dan de kleinere meeuwen hebben: er is Zweeds ‘truta med munnen’, pruilen, maar er is ook ‘håll truten’, hou je bek, en de grotere staan vaak met open bek te roepen, wat waarschijnlijk sterker opviel dan de bek zelf, en misschien was trut dan: grote bek.