Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Chroicocephalus ridibundus (Linnaeus 1766: Larus ridibundus). Eng. black-headed gull. Ned. kokmeeuw.

In de wetenschappelijke naam is de kokmeeuw een lachende meeuw (Latijn ridibundus: lachend, ridere: lachen). Diverse meeuwen maken inderdaad min of meer lachende geluiden, vooral zilvermeeuwsoorten, zie bij larus argentatus. De kokmeeuw echter krijst.

Een enkeling schrijft hierdoor: ‘de naam klopt niet’. Vaker schrijft men naar een oplossing toe: ‘hun gekrijs heeft iets van lachen’. Wember 2007 denkt aan het “gackerndes Stakkato, etwa: ‘he-he-he-he-he’, was als Lachen bezeichnet werden kann” (p.131). Dat geluid is er inderdaad, maar het gekrijs overheerst. De oplossing is: ridibundus was een naam voor een ándere soort.

Catesby 1731-1743 ontdekt op de Bahama’s een lachmeeuw, de laughing gull. “The noise they make has some resemblance to laughing, from which they seem to take their name” (Feduccia 1985, p.44). Het is larus atricilla, een soort die in Noord-Amerika nog steeds laughing gull heet. Snow 1998: “Common call ‘ha-ha-ha’ forms basis of strident laughing”.

Brisson 1760 noemt deze soort vervolgens gavia ridibunda: lachende meeuw. De kokmeeuw noemt hij, waarschijnlijk doordat hij de twee op elkaar vond lijken, gavia ridibunda phoenicopos: roodpotige lachmeeuw - larus atricilla had zwarte poten.

In 1758 heeft Linnaeus de kokmeeuw niet. Wel die lachmeeuw. Híj noemt hem larus atricilla. In 1766, als hij door Brisson ook de kokmeeuw heeft, noemt hij deze ridibundus, terwijl Brisson de naam primair, en terecht, voor de echte laughing gull had. Linnaeus zal een naam hebben gezocht en aangezien Brisson ridibunda voor beide had, zal hij hebben gedacht dat de naam ook bruikbaar was voor de kokmeeuw.

Vóór Linnaeus noemt niemand de kokmeeuw de lachende, en in volksnamen wordt juist het krijsende benadrukt. Buffon 1770-1783, die de kokmeeuw beter kent dan Brisson, schrijft: ‘hij schreeuwt nogal’. Belon 1555: in de broedtijd “il estonne les passants de son cry”, zijn voorbijgangers verbaasd over zijn gekrijs (p.170). Hij benoemt hem met Frans mouëtte blanche: witte meeuw. Gesner 1555 heeft larus cinereus: asgrijze meeuw. Ook hij zegt niets over lachen. Wel citeert hij van Turner 1544, over een gavia cinerea: “querula semper et clamosa est”, hij jammert en schreeuwt altijd (p.563). Mogelijk was het de kokmeeuw. Linnaeus had de kokmeeuw beter larus queribundus kunnen noemen: jammermeeuw.

-

Enkele andere namen voor de kokmeeuw (de codes zie op Home):

(U) Duits pfaff (priester, geestelijke) en Duits hutmeve, mohrenkopf, kapuzinermeve: namen in Naumann 1840 voor de donkerbruine maar op afstand zwarte kopkap, in het zomerkleed. Nederlands kapmeeuw, lang een populaire naam, bij Schlegel 1858 nog een algemene, voor meeuwen met zo’n kap. Temminck 1820 geeft Frans mouette à capuchon brun: meeuw met een bruine kap (mouette à capuchon is bij hem een naam voor diverse meeuwensoorten, met zwart, bruin of grijs erachter, naargelang de kleur van de kap - het algemene kapmeeuw bij Schlegel, die bij Temminck werkte, is er vrij zeker een vertaling van). Willughby 1676 en Ray 1678 hadden Engels black-cap. Het naamtype zit natuurlijk bij vele vogels, een zwarte kruin, kap of kop komt veel voor, zie ook bij sylvia atricapilla.

(G) In enkele namen voor de kokmeeuw zit een kraai of raaf: in Engels white crow, in Italiaans corvo bianco, en in Duits seekrähe, meerkraai. De Duitse naam is opgetekend in Naumann 1840, de kraai zit er volgens hem vanwege het kraaiachtig “kreischendes Kriäh” (p.284). Het gekrijs van hogerop. Hiervoor staat ook Limburgs keek, wat ook een algeméne naam voor meeuwen is (Nederlands keek betekent schreeuw, Venrays kaeke is schel praten, kaek is schreeuwster).

(V) Noors elvegutt: rivierjongen, een naam bij de monding van de Glomma.

(V) N meeuw, een naam die veel mensen voor élke meeuw gebruiken, maar in het bijzonder wel voor de veel voorkomende kokmeeuw (je zou het een gemaksnaam kunnen noemen: een makkelijke maar trefzekere aanduiding van een vogeltype, voor het ongeoefende oog zijn de diverse meeuwensoorten moeilijk op naam te brengen).

(?) N kokmeeuw, in 1603 voor het eerst opgetekend, als kockmeuu, in Aldrovandi, die diverse Nederlandse vogelnamen kende. Opmerkelijk is dat het lang geleden vooral een naam voor de zilvermeeuw en de twee mantelmeeuwen was. In hun geluiden zit onder andere een droog ò ò ò, of au au au, ook een hoger en sneller ak ak ak, en variaties daarop. Mogelijk gaven deze geluiden de naam en belandde hij later, maar gezien de geluiden onterecht, bij de kokmeeuw. Door Nozeman 1797? Hij heeft kokmeeuw voor zilvermeeuw en kokmeeuw, maar denkt dat het méér een naam voor de kokmeeuw is, “alzo zy in Engeland voor de Keuken worden opgevoed en gebruikt”. Een koksmeeuw .. Eigenhuis 2004 acht kokmeeuw ontstaan uit kobmeeuw, waarin kobbe zit: een dier met een dik rond lichaam, kob en kobbe zijn lokale namen voor vooral de zilvermeeuw.