Tekening in Naumann 1860. Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Stercorarius parasiticus (Linnaeus 1758: Larus parasiticus). Eng. arctic skua. Ned. kleine jager.

Een parasiet leeft ten koste van andere organismen. De kleine jager, net als de grote, ontfutselt andere vogels de vis, leeft ten koste van hen; meer bij stercorarius. In zijn verslag van een reis naar de Zweedse westkust heeft Linnaeus het over: “de zwartachtige vischmeeuw [...] die [...] slechts als roover onder de meeuwen geschapen is” (geciteerd in Hagberg 1944 p.124). Men noemt het wel kleptoparasitisme: parasiteren door te stelen, vergelijk kleptomanie: steelzucht. Latijn parasitus: tafelschuimer, klaploper, een latinisering van Grieks parasitos: mee-eter.

Vertaald uit Duits raubmöwe gebruikte men in Nederland soms roofmeeuw voor de vier jagers, in plaats van jager. Op de Hebriden had men voor de kleine Keltisch fasgadair: afperser. De Noren hebben als landsnaam voor de kleine tyvjo, waarin Noors tyv: dief. De Zweden hebben in een hele reeks namen voor de kleine onder andere måspinare: meeuwenfolteraar. Men wist waarover men het had. Men vergeleek met de mens.

Martens 1675 is de eerste die de vogel beschrijft, zie het genus. Rudbeck (1660-1740) is de eerste die een goede tekening maakt, van een ‘donkere vorm’. Martens had een eenvoudige pentekening.

-

Enkele andere namen voor de kleine jager (de codes zie op Home):

(U) N kleine jager, niet de kleinste.

(U) Zweeds svartlabb, door Linnaeus opgetekende naam, voor de donkere vorm.

(G) Inuit meriarsaissok: die anderen doet overgeven. Deens toldpig: die tol heft van andere vogels. Noors spotte-jo: vogel die je belachelijk maakt. Voor het gedrag, dat men in sommige gebieden in het bijzonder van de kleine jager kende, zie bij stercorarius.

(G) Zweeds et-ut, Noors ge-aat, namen voor het nasale, klagende, iëlah-iëlah-iëlah, Svensson 2010 schrijft ie-ah, Martens 1675 schreef ija. Linnaeus noteerde Zweeds elof, en dat vissers de vogel ermee riepen (als Elof is het een mansnaam, de vissers genoten van de capriolen boven hun boten, riepen hem waarschijnlijk graag aan). Fins kihu lijkt er ook voor te staan. Noors kive ook, maar als: de kijfachtige.

 (G) Zweeds labb, ook in de namen van de drie andere jagers, maar de Zweden kenden de kleine het best (en de Zweed Linnaeus had alleen déze, in 1758 althans). Zweedse etymologen verbinden met dialect labba: zwaar lopen - Noors labbe: voortsukkelen. Jagers zie je vooral vliegend, zittend, of staand, maar het weinige lopen is inderdaad vaak langzaam, onbeholpen, schommelend (soms echter: ‘normaal’). De naam kwam ook terecht in het Duits, Frans, Engels, Italiaans.

(V) E arctic skua, bij Pennant 1776 arctic gull, gebaseerd op arctick bird bij Edwards 1750, maar: dat was de kleinste jager. Edwards ontving er van de Hudsonbaai, bij de ‘Arctick Circle’ (waar de kleine ook zit) - kiest arctick bird óók omdat hij wil vergelijken met tropick bird, nu phaethon aethereus, een van de Tropicbirds, Keerkringvogels (‘ze lijken op elkaar, vooral door de lange staart’). Voor de kleinste jager werd in Engeland ook arctic jaeger gebruikt - jaeger uit Duits jäger, de méns die jaagt, later op de vogels overgedragen, jaeger in Noord-Amerika nu in de namen voor de drie ‘kleine’ jagers, niet in die van de skua, de grote jager - in het Duits was overdragen overigens al eerder gebeurd, zie struntjager bij stercorarius (Martens 1675).