Photo credit: 0ystercatcher on VisualHunt / CC BY-NC-SA

Hydroprogne caspia (Pallas 1770: Sterna caspia). Eng. caspian tern. Ned. reuzenstern.

Pallas ontdekt de reuzenstern aan de noordkant van de Kaspische Zee, waar nu de grootste Russische kolonie te vinden is. Hij ontdekt er ook larus cachinnans, de caspian gull, zie aldaar. Mare Caspium was bij de Romeinen de Kaspische Zee.

De reuzenstern heeft een verbrokkelde verspreiding, ook in Rusland. Pallas weet dat nog niet en legt uit: omdat ik de vogel alleen bij de Kaspische Zee en de monding van de Jaik zag, kan hij met recht sterna caspia worden genoemd (“Iure Caspiam Sternam appellari puto, quam nullibi praeterquam versus ipsum mare caspiam et circa ostium Iaïci observavi”, p.582). Jaik is de oude naam van de Oeral, de rivier die van het Oeralgebergte naar de Kaspische Zee stroomt. Later ontdekken anderen dat de vogel ook in Europa broedt.

In hetzelfde jaar 1770, en in dezelfde aflevering van ‘Novi Commentarii’, maar op p.500, beschrijft de Rus Lepechin de reuzenstern óók - en ook hij ontdekte hem bij de Kaspische Zee. Hij noemt hem sterna tschegrava, naar Russisch tsjegrava, een naam die Pallas óók vermeldt. Na veel discussie geeft de ‘International Commission on Zoological Nomenclature’, zie ook de Inleiding, voorrang aan de naam van Pallas (“The Bulletin of Zoological Nomenclature”, deel 24, 1967-1968, p.270-275). De etymologie van tsjegrava is niet helemaal duidelijk.

-

Enkele andere namen voor de reuzenstern (de codes zie op Home):

(U) N reuzenstern, omdat het de grootste van de sterns is, groter zelfs dan de grote stern, de reuzenstern is bijna zo groot als de zilvermeeuw. In Noord-Amerika geeft Elliott Coues in 1863 thalasseus imperator, keizer/gebieder die zeeman is (Grieks thalassa: de zee): ‘de exemplaren die ik heb, zijn groter dan caspia van Pallas en als dat stééds zo zal blijken te zijn, wil ik de Noord-Amerikaanse als een aparte soort zien’, vandaar alvast de naam.

(U) Sterna megarhynchos: grootsnavelige stern (Grieks megas: groot, rhunchos: snavel). Meyer 1810 gaf de naam: in verhouding tot het lijf heeft hij “einen sehr grossen starken Schnabel” (p.458).

(G) Zweeds skräntärna: schreeuwstern (skräna betekent schreeuwen). De vogel heeft een rauwe, reigerachtige roep, de Zweden kenden deze van hun oostelijke scherenkust.

(G) Sylochelidon en Duits raubseeschwalbe. Brehm 1831 maakt voor de reuzenstern een eigen genus, van Grieks sulao: roven, en chelidon: zwaluw (zie bij het genus delichon, voor ‘zeezwaluw’ zie bij sterna hirundo). Brehm noemt de vogels roofzuchtig: “sie fressen nicht nur Fische, sonders auch die Eier und Jungen der andern Seevögel” (p.768). Men kende ze van het broeden aan de Noordduitse kust (is er nu bijna weg).