Photo credit: Internet Archive Book Images on Visualhunt / No known copyright restrictions

Cepphus grylle (Linnaeus 1758: Alca grylle). Eng. black guillemot. Ned. zwarte zeekoet.

Grylle is een Zweedse naam. Varianten zijn grylla, grissla, gröttla, grautle. Hellquist 1957 herleidt ze tot een Oudzweeds *grytle en dat tot een Oudnoords *grjótle. Het tl daarin werd sl (grissla in 1638) en sl werd ll (grylle).

Zweeds gryt, dialect gröt en graut, betekenen hol en steenhoop, langer geleden alleen steenhoop. Het woord is verwant met Duits Grieß: steengruis, en Engels grit: idem (etymologisch zit er de betekenis 'het verbrokkelde'). De zwarte zeekoet nestelt in spleten, holen en steenhopen - lage rotsblokken, niet zoals andere alken tegen hoge kliffen aan - en grylle is dan: steenhoopvogel. Bij de bontbekplevier, soms ook grylle genoemd, zou het om kiezelvogel gaan, vergelijk bij het genus glareola. En voor deze is er ook Duits grießhünlein, uit 1687.

Sommigen verbinden grylle met Latijn gryllus: krekel, vanwege hun ijle, hoge geluiden, maar gezien de Zweedse vormen past dit niet. Wel is de zwarte zeekoet ook in de geluiden bij de alken een uitzondering. Scandinavische namen ervoor zijn ist, tist, teiste, enzovoort.

De eerste die de zwarte zeekoet beschrijft is Martens 1675 (de waarschijnlijk eerste kleurtekening, van het zomerkleed, staat in Albin 1734). Martens: hij wordt, met een Duitse naam, taube genoemd, maar taubetaucher is beter. “Sie pfeifen als junge Tauben”, ‘vandaar de naam, terwijl ze er verder niets mee gemeen hebben’ (p.57). In de Nederlandse vertaling van 1710 zijn het duyf en duyf-duycker. Willughby 1676 noemt hem, door Martens, columba groenlandica, groenlandse duif, wat lang dé naam voor de vogel is, Groenland door de titel van Martens’ boek: “Spitzbergische oder Groenlandische Reise Beschreibung”, een reis naar Spitsbergen, maar men dacht dat Spitsbergen een deel van Groenland was. Voor ‘duif’ zijn later allerlei verklaringen gegeven, die van Martens zag men niet.

-

Enkele andere namen voor de zwarte zeekoet (de codes zie op Home):

(U) E black guillemot, N zwarte zeekoet, de Engelse naam in Pennant 1768, door Brisson 1760. Brisson vervangt het hogerop genoemde columba groenlandica door uria minor nigra: kleine zwarte uria, en geeft als zijn Franse naam hiervoor petit guillemot noir. Hij heeft de vogel drie keer: (1) als uria minor, kleiner dan de zeekoet, onderop wit, (2) als uria minor nigra, ‘volledig zwart’, (3) als uria minor striata, de juveniel (striatus is gestreept). De zwarte zeekoet is de enige Europese alk die in het zomerkleed ook onderóp zwart is. Voor uria zie dat genus.

(U) Engels white guillemot, een naam in Latham 1785, gegeven door cepphus lacteolus in Pallas 1769, een naam voor het winterkleed, zie bij cepphus. Ray 1678 schreef over de zwarte zeekoet: “Its whole body in Summer-time being black, excepting a white spot in each Wing, but turning white in the Winter” (p.326).

(U) Voor die ‘white spot’ van Ray zijn er onder andere Frans guillemot à miroir, spiegelkoet, en Noord-Amerikaans scapular guillemot, schouderkoet.

(G) Zweeds per sup, en per supare, Peer de zuiper (Zweeds sup: borrel, supa: zuipen, supare: dronkaard). Ook opgetekend is olle drucken, waarin waarschijnlijk de persoonsnaam Olle zit, en ook is er olle är drucken, Olle is dronken. Bij balts, onraad en foerageren steekt de zwarte zeekoet vaak de snavel of de halve kop in het water (bij foerageren: om te zien wat er zit). De zwarte zeekoet is niet de enige alk die zoiets doet, maar aan de Zweedse kusten ziet men vooral déze alk.

(?) Officieel Russisch tsjistik, een naam die volgens een Russische bron bij tsjistuj hoort, een woord voor 'mooi', zodat het om de hele vogel zou kunnen gaan, maar bij een dergelijke naam denk je eerder aan een klanknabootsing, en hier des te meer omdat er voor de ijle geluiden van de zwarte zeekoet namen als ist en teiste bestaan, zie hogerop.