Photo credit: susie2778 on Visualhunt

Fratercula arctica (Linnaeus 1758: Alca arctica). Eng. puffin. Ned. papegaaiduiker.

Arctica gaat terug op Clusius 1605 die de papegaaiduiker anas arctica noemt. Houttuyn 1763 maakt er een Nederlands noordsche eend van. Voor arcticus zelf zie bij gavia arctica.

Clusius: de vogel is bij de Färöer gevangen, mag anas farrensis heten, maar aangezien er eerder al bij Nova Zembla zijn waargenomen - op een van de reizen van Willem Barentsz, in 1598 door Gerrit de Veer te boek gesteld - “non immerito Anatis Arcticae appellationem obtinere posset”, mag hij wel anas arctica heten (p.105), Latijn anas: eend (Clusius ziet wel dat de snavel heel anders is dan bij een eend) (en arctica paste uiteindelijk niet erg goed, aangezien er veel bij de Britse eilanden broeden).

In fratercula arctica, noordelijk broedertje, ontbreekt wat hem zo geliefd maakte: de kleurrijke snavel. In puffin zit hij ook niet, zie bij puffinus puffinus. In Nederlands papegaaiduiker, teruggaand op papegay-duycker bij Martens 1675, zóu hij zitten, maar ook daar ... Clusius beschrijft de hoornachtige strook tussen kop en bovensnavel, uitlopend op een rozet, en noemt die strook “callosa, paene ut in Psittaci rostro”, ‘vereelt, bijna zoals bij een papegaaiensnavel’, bij die namelijk zit aan de basis van de bovensnavel een wat vergelijkbare strook. Buffon 1770-1783 noemt het al een “rapport imparfait”, maar het is gezegd, en gaat een eigen leven leiden. En bij de naam dénken veel mensen het: dat het er een voor de (hele) snavel is en dat hij te maken heeft met het kleurrijke dat papegaaien hebben.

-

Enkele andere namen voor de papegaaiduiker (de codes zie op Home):

(U) Engels bill, een naam in Ierland. Er zijn weinig soorten die je gewoon ‘snavel’ kunt noemen.

(U) Engels bottle-nose, vrij vertaald: dikneus, een naam in Ray 1678. Russisch toepik, toepíek, gevormd bij toepoj: stomp, toepik is ook: stompe bijl, of: straatje dat doodloopt. Engels coulternebb: ploegschaarbek, idem in Ray, de coulter is het driehoekig snijblad van de ploeg, het deel dat door de aarde gaat.

(U) Mormon, een genus van Illiger 1811, waarin hij primair de papegaaiduiker had (Grieks mormon: ‘spook, om kinderen angst aan te jagen’). Illiger noemt er ook Latijn larva: eenzelfde spook, maar ook: ‘masker van toneelspelers, met verwrongen trekken’, en dat bedoelde hij waarschijnlijk, en de naam is dan geïnspireerd door de snavel. Hij noemt ook een (zelfbedacht?) Duits larventaucher, Duits larve is naast larve ook: masker (hieruit kwam wellicht officieel Pools maskonur voort, wat ‘gemaskerde duiker’ lijkt te betekenen, nur is de naam voor de duikers in het genus Gavia, en zie ook bij aythya nyroca). En dan is er nog Italiaans pulcinella di mare, pulcinella was een masker in Napolitaanse kluchtspelen - bij de kop en bij het soms koddige gedrag past 'clown van de zee', maar rond Italië zijn papegaaiduikers zeldzaam en waarschijnlijk bedoelde men dan ‘masker’, overgenomen uit een noordelijke naam.

(G) Färöers karkarassur, waarin karka waarschijnlijk een nabootsing is van het knorrende aar-ha-ha, rassur is de aars, en de hele naam is dan een scheldnaam, zeg maar: knorkont. Fróðskaparrit 1971 noemt het ook zo: "a pejorative name" (p.120). Er zitten veel scheldnamen bij vogels, hoewel de meeste vriendelijk bedoeld zijn.

(V) Noord-Amerikaans atlantic puffin. In Noord-Amerika leven alle drie de puffins/papegaaiduikers die in het genus fratercula zitten, maar twee daarvan zijn pacifisch, alleen de ‘onze’ is atlantisch.

(?) Noors lunde, de officiële Noorse naam, en in het Oudnoords was er lundi. Engeland heeft een eiland Lundy, IJsland heeft Lundey, beide namen betekenen letterlijk ‘eiland van de papegaaiduikers’, het Engelse eiland werd zo genoemd door Vikingen. Eén interpretatie van de vogelnaam gaat uit van IJslands lundir: witte striemen in het gezicht, en dan zou het een naam zijn voor de strepen op de snavel. Een andere interpretatie gaat uit van ‘vet’ (Oudengels lynd: vet, vergelijk Nederlands lende). Kitson 1998 stelt dat een Oudengels *gelynde heel goed de tegenhanger van Oudnoords lundi kan zijn geweest, de vogels werden “exploited by islanders for its fat” (p.22). Diverse watervogels, én hun eieren, waren op de Noordwest-Europese kusten en eilanden een onderdeel van de voedselvoorziening.