Photo credit: Hoppy1951 via Visualhunt / CC BY-NC-ND

Alle alle (Linnaeus 1758: Alca alle). Eng. little auk. Ned. kleine alk.

In 1746 kent Linnaeus Zweeds alle, als een naam voor de zwarte zeekoet: “Ölandis Alle”, het Zweedse eiland Öland (p.45). In 1758 zet hij hem bij de kleine alk, waarvoor het echter geen Ölandse naam kan zijn geweest: de kleine alk komt er niet voor, wordt alleen in de winter wel eens gezien. De zwarte zeekoet zit er wél, maar alleen op Blå Jungfrun, een rotseiland tussen Öland en het Zweedse vasteland. Op 15 juni 1741 bezoekt Linnaeus dit eiland: mogelijk hoorde hij daar de naam, en anders wel op Öland zelf.

Maar ook ‘zwarte zeekoet’ past niet: alle is een klanknaam, voor een ‘stevig’ geluid, zie bij het genus alca, en de zwarte zeekoet is bij de alken de uitzondering qua geluid, bij de ijle geluiden pást geen alle. Was het dan de ijseend? Daarvoor hadden de Zweden al, all, alle, alla, nu als landsnaam alfågel. In de wateren rond Öland komt hij ‘s winters voor. Haalde Linnaeus een en ander door elkaar? Kreeg hij verkeerde informatie? Ook kan het zijn dat de naam van de ijseend op de zwarte zeekoet was overgegaan: men kan het winterkleed op een winterkleed ijseend vinden lijken, en eenmaal bij de zwarte zeekoet, is de kleine alk niet ver weg.

Of er was verwarring door de bronnen. In 1731 tekent Albin de kleine alk, maar noemt hem greenland dove, wat een naam voor de zwarte zeekoet was, zie columba groenlandica bij cepphus grylle. In 1734 tekent hij de zwarte zeekoet, en noemt die ‘het mannetje van de greenland dove’. Raakte Linnaeus in de war? Aan de andere kant: Edwards 1747 ziet de fout, en zo ontdekt Linnaeus het ook, en in 1758, als hij zwarte zeekoet én kleine alk heeft, zegt hij bij die laatste: ‘Edwards en ik ontkennen dat dit het vrouwtje van de zwarte zeekoet is’ (p.131).

Toch kan hier een deel van de verklaring zitten. In 1746 heeft Linnaeus bij de zwarte zeekoet zowel alle als grylle, dit een naam voor de zwarte zeekoet. In 1758 voert hij de zwarte zeekoet onder die naam op, als alca grylle. Als soort daarná heeft hij de kleine alk. Maar voor díe vindt hij bij eerdere schrijvers geen geschikte naam, alleen bij Willughby 1676 mergulus melanoleucos, zwart-wit duikertje, maar álle alken waren zwart-wit. Misschien vulde hij het gat creatief op, met het overgebleven alle - zonder zich af te vragen of dit voor de kleine alk wel een naam kon zijn - zo ging het vaker bij het geven van namen: nood breekt wetten.

Als dit verklaart waarom de kleine alk alle heet, blijft de vraag hoe de naam in Linnaeus 1746 terechtkwam, en vooral: voor welke vogel het van oorsprong een naam was. De ijseend dringt zich opnieuw op.

Voor de kleine alk was er Noors alle en in Noorwegen komt hij ‘s winters voor de kust, maar Linnaeus noemde Öland en de Noorse naam is van 1775, zodat hij uit ‘Linnaeus’ overgenomen kan zijn - en Noorwegen heeft ook geen ‘traditie’ met deze naam.

Er is ook nog Magnus 1555, al lijkt Linnaeus dit werk niet te hebben gekend. Hij beschrijft een vogel bij de Botnische golf die in de zomer steeds alle alle roept, daar dus alle alle werd genoemd (“unde propter hoc ubique ab incolis aves illae Alle alle appellantur”, p.690). Het was vrij zeker een eend, niet helemaal zeker de ijseend.

Door onduidelijkheid krijg je speculaties. Cabard 1995 geeft als een van drie opties Germaans alle: ‘in verband met de grote dichtheid in de broedkolonies van de kleine alk’. Gotch 1981 herleidt tot Latijn allex, de grote teen: de X zou weggelaten zijn “to show that the toe is missing” (p.143).

Het is Martens 1675 die de kleine alk als eerste hééft, in zijn boek over de reis naar Spitsbergen. Hij heet bij hem rotges, naar hun ‘Rottet tet tet tet tet’, de naam gegeven door de bemanning van het schip. In de Nederlandse vertaling van 1710: “Sy maecken ‘t grootste geschreeuw van alle Vogelen” (op Spitsbergen). Hun geschreeuw in de kolonies “geeft van verre een geluyd, als of er van wijd een party wijven onder malkander kijven” (p.30).

-

Enkele andere namen voor de kleine alk (de codes zie op Home):

(U) E little auk, Pennant 1768, D kleiner alk, Bechstein 1809, N kleine alk, Schlegel 1852.

(U) Canadees bull, stier, wellicht voor de ‘stierenek’, zeker ook wel voor de ‘grootte’, schertsend bedoeld, voor de winterkoning bijvoorbeeld is er Frans bœuf, os .. Noors alkekonge, koning der alken, waarin wellicht dezelfde scherts. Nederlands zee-mussche, in Salmon 1786 ‘Tegenwoordige staat van Groenland, en Straat Davids’, mus voor het kleine/gedrongene, mogelijk ook de ‘vinkensnavel’. IJslands haftyrðill, wat ‘zeedrol’ lijkt te zijn, haf: zee, voor tyrðill zie bij alca torda Oudnoords torð/tyrðil: drek, mest.

(X) Noord-Amerikaans dovekie: duifje, officiële naam, van oorsprong een Schotse voor de zwarte zeekoet, verkleining van dove (koosnaampje). Waarschijnlijk hing hij samen met duyf en columba groenlandica zie bij cepphus grylle, maar om een of andere reden (een misverstand?) kwam duif ook bij de kleine alk terecht. In Finland óók, in officieel jääkyyhky: ijsduif, jää: ijs, kyyhky: duif, dat ijs voor het arctische.

(X) Canadees pine knot: pijn(boom)knoest, een naam op Nova Scotia voor de veronderstelde ‘gehardheid’ - ‘tough as a pine knot’ is een uitdrukking. Het gaat om de verbazing bij mensen: ‘hoe houdt zo’n kleine vogel het uit op de wilde zee, bij het ijs, in de kou?’ Wetenschappers verwoorden het ook, maar anders - Freethy 1987: “It is quite amazing how a bird about the size of a starling [spreeuw] can hold sufficient heat in the core of its body to withstand the Arctic cold” (‘Auks, an ornithologist’s guide’, p.41). Het antwoord geeft hij ook: door veel vet, een dicht verenkleed, weinig nek, een kleine snavel - wat het warmteverlies beperkt.

(?) IJslands fullkobi, Färöers fulkubbi, van oorsprong mogelijk het stormvogeltje (Fróðskaparrit 1971), voor ful zie bij fulmarus: stinkmeeuw (kleine alk en stormvogeltje werden soms verward, haftyrðill bijvoorbeeld was op de Färöer het stormvogeltje), ‘maar de naam kan ook op zich staan, bij diverse vogels zitten namen met drek of uitwerpselen’ - kubbi mogelijk verwant met Nederlands kobbe zilvermeeuw, taalkundig: dier met een dik/rond lichaam, kubbi “In Icelandic and Norwegian [...] a short, stocky person” (p.119), stocky: gedrongen - ful is dan minder duidelijk, maar opnieuw hier dan: het gedrongene.