Photo credit: fs999 on Visualhunt / CC BY-NC-ND

Columba palumbus Linnaeus 1758. Eng. woodpigeon. Ned. houtduif.

Gezien hun teksten bedoelden de Romeinen met columba, mannelijk columbus, de rotsduif, in het bijzonder de daaruit voortgekomen tamme duiven (André 1967, Kraak 1940, Thompson 1936). Met palumbus, ook palumbes en palumba, bedoelden ze de houtduif, maar mogelijk ook de holenduif. Na de Middeleeuwen gebruiken naturalisten columba steeds meer als een algemene naam, als Latijn voor duif, en zo wordt het uiteindelijk, bij Linnaeus: columba genusnaam, palumbus soortnaam.

Columba en palumbus zijn niet verwant. Beide zijn wel: namen voor kleur. Columba is verwant met Russisch goloeb’: duif, goloeboj: blauw, Oudpruisisch golimban: blauw - en waarschijnlijk ook met Grieks kolumbis, zie bij het genus voor de dodaars, tachybaptus (maar Beekes 2010 denkt dat kolumbis vóór-Grieks is). Sommigen denken dat het grondwoord donker betekent, wat ook goed bij de dodaars past. De Vaan 2008 denkt aan blauw, en columba is dan: de blauwe - de blauwe is niet geheel toevallig een Nederlandse volksnaam voor de houtduif. Palumbus acht men verwant met Grieks peleia, zie de rotsduif, columba livia, alwaar ook Grieks pelios: loodkleurig, blauwzwart, en vergelijk Oudpruisisch poalis: duif, Latijn pallere: bleek zijn, Nederlands vaal, en zo nog een hele reeks. De Vaan denkt dat een ouder *pales, “gray/blue dove”, naar het voorbeeld van columba in palumbus kan zijn veranderd.

Als dit allemaal klopt, gaat het om twee woordgroepen die beide voor ‘kleur’ staan: vaal, donker, blauw, grijs. Bij houtduif, holenduif, rotsduif past het: ze zijn blauwachtig grijs. In het Duits kreeg je daardoor de woorden taubengrau en taubenblau, ‘duifgrijs’ en ‘duifblauw’. En in diverse talen heb je ‘blauwe duif’ als naam voor een of meer van de drie. Ook in de officiële namen zijn alle drie naar die kleur benoemd, hoewel steeds op een andere manier.

-

Enkele andere namen voor de houtduif (de codes zie op Home):

(U) Palumbus maior: grote duif, in Zwitserland groß holtztub: grote houtduif, beide in Gesner 1555, de houtduif de grootste van de Europese duiven (alleen de op Madeira voorkomende columba trocaz is iets groter). Voor de dikke indruk die ze maken is er Limburgs dieke doef.

(U) Nederlands ringduif, een naamtype dat in vele variaties in vele talen zit, voor de witte halsvlekken die geen ring vormen maar wel die indruk geven. Köbler, ‘Althochdeutsches Wörterbuch’, geeft uit de 10e eeuw Oudhoogduits ringiltūba, waarschijnlijk de oudste. Opvallend: voor de witte banen op de vleugels lijken geen namen gegeven te zijn.

(U) Nederlands valduif, met in 1597 het meervoud Vallems, specifiek voor de houtduif, beide teruggaand op Middelnederlands valmeduve, waarin valuwe: vaal, hier vaalblauw. Gezelle begreep de etymologie: “niet omdat zij vallen, maar omdat zij valuwe, valme, dat is blauwachtig, van verwen zijn” (Loquela, p.79).

(G) Engels too-zoo, nabootsing van het koerende rroe-kóe-koe-koe-koek. Italiaans tutuni, Zweeds sjutut, Catalaans tudó: dit zullen ook nabootsingen zijn. Brabants koekelduif, bij Turnhout. Engels cushat, volgens Lockwood 1984 uit ouder *cūscūta: koe-roeper, uit circa 700 is er het meervoud cuscutan. Duits kuhtaube, waarin de koe natuurlijk een nabootsing is, wel vertelde men er een heel verhaal omheen. Vlaams rijmduif, ze rijmt ‘koe, koe, schone koe’, en Gattiker 1989 geeft voor Duitsland enzovoort twee pagina’s voorbeelden van hoe men het roepen in rijmpjes omzette, in Zwitserland bijvoorbeeld ‘Ruedi, fress Surchrut’ (zuurkool).

(G) Engels clatter dove, klaterduif - de houtduif klapt met de vleugels wanneer ze bij onraad opvliegt, of wanneer ze bij de ‘boog’ van de baltsvlucht op het hoogste punt is. Van het eerste kan men schrikken.

(V) N houtduif, bosduif, woudduif, drie manieren om de gebondenheid aan bomen uit te drukken, maar de holenduif is ook vooral aan bomen gebonden, ringduif zou de houtduif béter onderscheiden, in Duitsland en in Scandinavië nóemt men de houtduif dan ook zo. Frans pigeon ramier, takkeduif, uit Oudfrans rame: tak. Rond 1225 was er het meervoud colons remiers, Belon 1555 had ramier zonder meer.