Photo credit: Paco Gómez on VisualHunt / CC BY-SA

Streptopelia turtur (Linnaeus 1758: Columba turtur). Eng. turtle dove. Ned. zomertortel.

Duiven vallen door hun geluiden op, en overal waren er klanknabootsende werkwoorden om ze mee weer te geven, in Nederland koeren, korren en kirren, overigens ook voor het korhoen gebruikt. Mogelijk ontstónd een deel van de werkwoorden juist door de duivengeluiden, kreeg er anders wel de uiteindelijke vorm door, en zo geeft het ‘Woordenboek der Nederlandsche Taal’ bij koeren: “Benaming voor het donkere, rollende, op ‘koer’ gelijkende geluid van duiven, inzonderheid tortels”. Dat ‘inzonderheid’ klopt ook: voor zomertortel, turkse tortel en variaties daarop (vooral de lachduif) werd soms koerduif gebruikt.

De houtduif roept rroe-kóe-koe-koe-koek, de zomertortel een dromerig koerr-koerr, toerr-toerr. Latijn turtur (toertoer) wordt gezien als rechtstreekse nabootsing daarvan, zonder de omweg van een werkwoord. De naam is vergelijkbaar met koekoek, gaf uiteindelijk ook tortel, turtle, en vele meer. Het geluid van de zomertortel, vroeger tortelduif, leidde ook wel tot ándere namen, maar het aantal afstammelingen van turtur is groot. Uít tortel kwam het werkwoord tortelen: minnekozen, voor vooral de zomertortel, waarin men ‘een zinnebeeld van de tedere liefde’ zag. En verliefde ménsen ging men tortelduifjes noemen.

In de Oudheid was de zomertortel een bekende vogel. Arnott 2007 vermeldt afbeeldingen bij de Egyptenaren, in de Bijbel komt hij vele malen voor, en in Griekse mythen figureerde hij ook. De Grieken noemden hem trugon. Beekes 2010 verbindt de naam met Grieks truzo: koeren, kirren, waarmee we terug zijn bij de werkwoorden. In de ornithologie staat de eerste afbeelding van de zomertortel bij Frederik II ±1246 (p.Xviii).

-

Enkele andere namen voor de zomertortel (de codes zie op Home):

(U) Duits kränzletube, een naam in de Elzas, kränzle bij Duits Kranz: krans, voor de gestreepte halsvlek, zie ook bij streptopelia.

(U) Duits frauentaube, 1779, ook frauentauberl, in Zwitserland frouendübli, volgens Gattiker 1989 “ihres zierlichen, reizenden Wesens wegen” (p.376), reizend: bekoorlijk. De auteurs melden ook de legende “daß es die Turteltaube war, die der Muttergottes [Maria, nog Jungfrau: maagd] den Ehering brachte [de trouwring]. Daher hat sie noch zur heutigen Zeit einen Ring um den Hals” (p378). Misschien speelde dit mee, de tortelduif gold als een symbool van onschuld, zachtmoedigheid, maagdelijkheid. Klara Irmler rond 1500 in een gedicht: “Ein Turteltäublein ist mein Nam’, Jungfräulichkeit mein Gesang”.

(G) Tsjechisch hrdlička, volgens Holub 1967 te herleiden tot een klanknabootsend *gr-l, met invloed van de D in hrdlo: keel, gorgel, dat *gr-l duidelijker te zien in Russisch gorlitsa.

(V) Duits gemeine turteltaube, een van diverse namen in Europa voor het ooit gewone van de zomertortel, overigens vooral boekennamen, omdat de meeste mensen genoeg had aan tortel, turtel, tórtola, tourterelle enzovoort. Inmiddels is in een aantal Europese landen de túrkse tortel de gewone.

(V) N zomertortel, een naam die het oude tortelduif vervangen heeft: nadat de turkse tortel zich gevestigd had, en zo genoemd werd, kon tortel verwarring geven, en had dé tortel niet meer het alleenrecht op deze naam - hoewel het verschijnsel Nederlands is: in andere landen had men ‘turkse duif’, niet ‘turkse tortel’, en zo was er geen botsing van namen (en waar men wél ‘turkse tortel’ had, in Spanje en Frankrijk, was er een andere oplossing). De zomer: de turkse tortel is standvogel, de tortelduif zomervogel. Belon 1555 beschreef dit al (“elles sont totallement passageres” p.309), ook bestreed hij dat de turtrelle zich in de winter verbergt, wat sommigen dachten, zoals men dat ook van zwaluwen dacht.