Photo credit: fveronesi1 via Visual Hunt / CC BY-SA

Pterocles alchata (Linnaeus 1766: Tetrao alchata). Eng. pin-tailed sandgrouse. Ned. witbuikzandhoen.

Chata in al-chata zal een nabootsing zijn van guettar-guettar, de roep van witbuikzandhoenders op hun drinkvluchten. Op afstand kan deze doen denken aan kauw, kuifeend of zwartkopmeeuw. De roep leidde tot Spaans ganga en tot Arabisch gata of qata, en met het Arabisch lidwoord erbij is het dan el guettha / al kattar, en gelatiniseerd werd dat alchata. De Franse officiële naam combineert de twee namen: ganga cata.

Linnaeus heeft alchata uit Gesner 1555. Waar deze de naam voor het eerst noemt, zegt hij: “Alchata est genus columborum sylvestrium, quorum alae oblongae sunt, pennae & plumae coloris coturnicum”, hoort bij de wilde duiven, (maar) heeft langwerpige vleugels en een kleur als een kwartel (p.298). Dat lijkt het witbuikzandhoen. Gesner hééft zijn kennis van Andreas Bellunensis (Andrea Alpago uit Belluno, circa 1450 - 1521), die ook nog schreef dat de vogel in Syrië algemeen was. Elders, zo vervolgt Gesner, wordt hij alfuachat genoemd. Dat was: bij de Arabische geleerde Ibn Sina (Avicenna, 980-1037), waar de vogel dan voor het eerst staat.

Aan het eind van zijn boek, in de ‘Aanvullingen’, is er ineens een tekening: het witbuikzandhoen. Hij kreeg deze van Guillaume Rondelet uit Montpellier - waar de vogel nog broedt, op de Crau, ten oosten van de Camargue. Rondelet zegt dat hij lijkt op de rode patrijs, maar snavel en poten zijn zwart (in plaats van rood). Het zo gevarieerde kleed beschrijft hij ook. En: ‘de vogel wordt angel genoemd’ - waarschijnlijk een vervorming van Zuid-Frans jangle, net als ganga een klanknabootsing. Gesner denkt overigens dat het de oinas van Aristoteles is, waarin hij niet de holenduif ziet, columba oenas. ‘Ook denk ik dat dit de alchata is’ - “Ego eandem avem esse conijcio quae apud Arabes scriptores alchata, vel alfuachat, & filacotona nominatur” (p.769). ‘En verwant lijkt me perdix damasci, in 1553 beschreven door Belon’. Belon 1555: perdris de damas, perdris de syrie. Maar die had een korte staart en een normale achterteen: waarschijnlijk was het ammoperdix heyi of ammoperdix griseogularis.

Het witbuikzandhoen is een opvallende vogel, en in de broedgebieden kende men hem dus. Maar hem zijn juiste ornithologische plaats geven, dat duurde tot aan Temminck 1815, zie bij pterocles.