Westelijke orpheusgrasmus. Photo Credit: Gary Woodburn Flickr via Compfight cc

Sylvia hortensis (Gmelin 1789: Motacilla hortensis). Eng. orphean warbler. Ned. orpheusgrasmus.

Latijn hortensis betekende: tot de tuin behorend (Latijn hortus: de tuin). Buffon 1770-1783: net als ook kleinere grasmussen zit de orpheusgrasmus in tuinen, bosjes en moesvelden  (“les jardins, les bocages et les champs semés de légumes”, Buffon 1796-1799, V-62). Daarvan kende men de vogel blijkbaar het best, en zo kreeg hij van Gmelin zijn naam: hortensis. Gmelin verwijst daarbij naar Buffon, en schrijft ook (Buffon noemde ook Italië): “Habitat in Galliae et Italiae campis et hortis frequens”, ‘Bewoont talrijk de velden en tuinen van Frankrijk en Italië’ (p.955). Maar hij komt dus niet alleen daar voor.

De vogel lijkt al bij Gesner 1555 te staan, hoewel zonder naam (Springer 2009). En hij lijkt bij Aldrovandi 1600 te staan, onder Italiaans scatarello. Góed staat hij bij Brisson 1760, maar later nog beter bij Buffon, een vrouwtje van wat nu de westelijke orpheusgrasmus is (de soort is in een westelijke en oostelijke gesplitst). Zonder uitleg heeft Brisson hem als eerste van zijn grasmussen en geeft daardoor als Franse naam fauvette, zonder een toevoeging groot, of grijs, of wat dan ook. Dit fauvette echter was vooral een algeméne naam, en gezien Frans fauve (rossig) was het van oorsprong mogelijk een naam voor de grasmus, sylvia communis, die roestkleurige vleugels heeft.

Sylvia hortensis is lang de naam van de tuinfluiter geweest, sylvia borin. Men zag niet dat het bij Gmelin de orpheusgrasmus was. En zo ontstonden voor de tuinfluiter Nederlands tuinfluiter en Engels garden warbler, voor een vogel die nauwelijks in tuinen komt. Voor de orpheusgrasmus had men lang sylvia orphea van Temminck 1820, waaruit Nederlands orpheusgrasmus voortkwam. Naar het lierspel van Orpheus, de mythologische Griekse dichter en zanger, kwamen zelfs de wilde dieren luisteren: Temminck bedoelde dan de mooie zang, geeft geen uitleg, had de westelijke orpheusgrasmus, terwijl velen de oostelijke (nog) mooier vinden zingen. Orpheus kwam waarschijnlijk door Linnaeus 1758 in de ornithologie. Voor de spotlijster, zie bij de orpheusspotvogel, hippolais polyglotta, had hij naast turdus polyglottos ook turdus orpheus. Er was geschreven dat toehoorders door de zang van de vogel meegesleept werden.

-

Enkele andere namen voor de orpheusgrasmus (de codes zie op Home):

(U) Zwitserduits dr gross schwarzchopf: de grote zwartkop. De orpheusgrasmus is iets groter dan dé zwartkop, sylvia atricapilla.

(U) Catalaans mascarat: de gemaskerde, een naam voor het zwarte ‘oogmasker’. Het kon ook een naam voor de braamsluiper zijn, die een vergelijkbare hoewel minder sprekende koptekening heeft (donker bij het oog, iets lichter daarboven), maar de braamsluiper zit niet in Catalonië.

(G) Officieel Spaans curruca mirlona, merelgrasmus: door de heldere fluittonen vergeleek men met de merel (maar zie ook Brabants merel bij de tuinfluiter, sylvia borin). Aan de nachtegaal dacht men trouwens ook, gezien Catalaans rossinyol mascarat, gemaskerde nachtegaal, hoewel de zang van de oostelijke orpheusgrasmus méér op die van de nachtegaal lijkt (ook voor ‘nachtegaal’ zie bij de tuinfluiter, maar ook bij de zwartkop: niet álle grasmussen ‘krassen’, zoals dé grasmus) (de grasmus wordt soms krasmus genoemd). De officiële Zweedse naam is mästersångare: meesterzanger, hoewel ze hem in Zweden niet horen: de naam zal ontleend zijn aan Duits meistersänger, en deze was waarschijnlijk geïnspireerd op sylvia orphea van hogerop, aangezien hij niet éérder dan sylvia orphea lijkt te zijn opgetekend.