Photo credit: ejwwest on Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Cuculus canorus Linnaeus 1758. Eng. cuckoo. Ned. koekoek.

Canorus is een merkwaardige naam. Latijn canorus: zangerig, melodieus, welluidend (canere/cantare: zingen). Zangerig kan men de koekoek niet noemen en volksnamen die dit uitdrukken lijken niet te bestaan en oudere schrijvers hadden het bij de koekoek zelden of nooit over zingen. Linnaeus geeft geen uitleg, ook niet bij turdus canorus, nu garrulax canorus, de witoogtimaliagaai van Zuidoost-Azië. Schwenckfeld 1603 lijkt als eerste canorus in een vogelnaam te hebben gebruikt, in anas canora voor de smient, die ook wel fluiteend wordt genoemd. Dat is ook geen zingen.

In zijn genus cuculus plaatst Linnaeus acht soorten. Alleen canorus benoemt hij naar het geluid. Bij de Jamaicaanse soort vetula, ‘oude vrouw’, naar het kleed, heeft hij wel: “Voce clamosiore pluviam praesagit”, ‘met zijn nogal harde roep kondigt hij de regen aan’; voor dat thema zie bij het genus pluvialis. Misschien baseerde Linnaeus zich op wat Gesner 1555 bij de koekoek schreef, gebaseerd op Van Cantimpré ±1240: “Cuculus [...] avis [...] quae vocem suam in cantando non mutat, sed semper eandem replicat” (p.350). Vrij vertaald: hij zingt wel, maar steeds hetzelfde.

Als Linnaeus aan klinken dacht, zijn we er ook uit, hoewel hij canorus dan nogal vrij interpreteerde. Tot slot: canere betekende ook voorspellen, wat bij de koekoek past - zie bij cuculus wat hij allemaal voorspelde - maar van canorus zelf is zo’n betekenis niet bekend.

-

Enkele andere namen voor de koekoek (de codes zie op Home):

(U) Frans coucou gris, wat overbodig lijkt, dat grijs, maar er was ook een coucou roux: bij de vrouwtjes is er naast een grijze vorm ook een, zeldzamere, bruine vorm, die bovenop roestbruin is (roux: rossig). Het gaf verwarring en debat. Sommigen zagen er een soort in.

(U) Limburgs sperwer, Duits vogelstößer: vogelstoter, een naam voor onder andere de sperwer. Men vroeg zich af waar de koekoek in de winter zat: in de lente was hij met zijn roep ineens nadrukkelijk aanwezig, later was hij ineens weg. Er was het verhaal dat hij veranderde in een sperwer, en in de lente weer terug in een koekoek. Met de sperwer, vooral het vrouwtje, viel makkelijk te vergelijken: bovenop grijs, onderop gebandeerd. Ook: gele oogring, gele poten, lange staart. Het verhaal is oud: Aristoteles bestreed het al.

(G) Vlaams eierdief, Engels suck-egg, Duits eierschluck (‘Kuckuck, Kuckuck, Eierschluck!’). Het zijn namen voor het wegnemen van (niet toevallig) één ei, als onderdeel van het ‘broedparasitisme’: je ei laten uitbroeden door een daartoe uitgekozen ‘waardvogel’, een zangvogel (waard: gastheer, herbergier, ‘hij die het eten verstrekt’). Men verfoeide het vaak, White 1788 bijvoorbeeld had het over “such a monstrous outrage on natural affection” (p.123). Spaans engañabobos: bedrieger van de onnozelen, een naam in de provincie Granada, engañar: bedriegen, misleiden, voor bobo zie ook bobo bij het genus morus voor de jan-van-gent.

(V) Twents boonenpotter, met als uitleg in Dijkhuis 1979, ‘Twents in woord en gebruik’: “Als de koekoek roept is het de tijd bonen te poten”. Duits frühlingsvogel, volgens Suolahti 1909 omdat hij Frühlingsbote was, lentebode, een naam in Saksen. Oudengels sumeres weard, ‘hoeder van de zomer’, een bijnaam in het Middeleeuwse gedicht ‘The Seafarer’. Pollard 1977 schrijft over de oude Grieken: de roep van de koekoek “was welcomed as a sign of spring and as marking the end of the long, cold days of winter” (p.43).