Photo credit: FurLined via VisualHunt.com / CC BY-NC-SA

Bubo bubo (Linnaeus 1758: Strix bubo). Eng. eagle owl. Ned. oehoe.

De Romeinen hadden voor de oehoe bubo, de Grieken buas. Het zijn klanknabootsende namen, zoals ook oehoe, namen voor de ‘zang’ van het mannetje, een ver hoorbaar diep oe-hoew, het tweede deel zachter dan het eerste.

In oudere boeken wordt het geluid vaak ‘huiveringwekkend’ genoemd. Soms nog meer dan de steenuil was in bepaalde regio’s de oehoe de ‘lijk-uil’, zie de ruigpootuil, aegolius funereus, voor dat thema. Hoorde je hem bij je huis, dan voorspelde dat niet veel goeds. En in een donker bos schrok men ervan. Plinius noemde hem “noctis monstrum”, de boze geest van de nacht. Mogelijk droeg dit alles bij aan de vervolging waaraan de oehoe blootgesteld werd.

In de ornithologie is hij voor het eerst afgebeeld bij Frederik II ±1246, in diverse kleurtekeningen. Op een ervan belagen kraaien hem.

-

Enkele andere namen voor de oehoe (de codes zie op Home):

(U) E eagle owl, tegenwoordig ook een algeméne naam, voor soorten in Bubo - Willughby 1676 gaf de naam, in het kopje “The great Horn-Owl or Eagle-Owl” (p.63). Waarschijnlijk zegt dit wat men bedoelde: grote uil - de oehoe de grootste van de nachtroofvogels, de arend de grootste van de dagroofvogels (gieren vond men een andere categorie). Misschien speelde mee dat Aristoteles van de buas had gezegd: een uil van de grootte van een arend.

(U) Frans grand duc: grote hertog, de ransuil moyen duc: middelste hertog, de dwergooruil petit duc: kleine hertog, namen bij Belon 1555 voor de drie uilen met ‘oren’, bewaard in de huídige Franse namen voor de drie, duc uit Latijn dux: leider, aanvoerder (grand-duc is ook: groothertog). In 1165 opgetekend is duc, ‘een nachtvogel’, bij Belon is de oehoe naast grand duc ook duc zonder meer (“On le nomme un Duc en Françoys”, p.135), Brisson 1760 heeft duc, oehoe, uit de Savoye, Buffon 1770-1783 heeft als kopje: ‘le duc ou grand duc’. Als duc dan primair een naam voor de oehoe was: voor de grootte? de deftigheid in de zit? de oorpluimen lijkend op de opstaande versierselen van de hertogskroon? een vergelijking met de adel die bij bepaalde gelegenheden veren op de hoed droeg? Gattiker 1989 heeft ook: “seine Vorliebe für Burgruinen und verfallene Schlösser” (p.330). Of klanknabootsing? Latijn dux was ‘doeks’, hoewel rond 1165 duc misschien al ánders klonk, bovendien: het oe-hoew van de oehoe past niet goed (de meeste klanknabootsende namen voor de oehoe zijn tweeledig), wel passen Italiaans duco, dugo, maar dat kunnen vormen zijn bij duce: leider, duca: hertog. Misschien was duc gewoon een naam voor de gestalte ..

(G) Latijn bubo en Grieks buas van hogerop zijn niet de enige klanknamen: het diepe oe-hoew maakte alom indruk - Duits uhu (waaruit oehoe), Oudhoogduits hûwo, Italiaans gufo, Hongaars buhu, Lets būzis, Turks puhu, Bulgaars boechal, Oudnoords úfr, Duits schuhu, enzovoort.

(V) Zwitserduits berghuw, Gesner 1555, huw is hûwo. In 1599 Noors bergugle, steenugle, steinuv, huidig Zweeds berguv, uv uit Oudnoords úfr, gelijk aan Duits auf, oehoe: uit Karinthië had Gesner steinauff. Voous 1960 schrijft: de oehoe leeft in “een grote verscheidenheid van merendeels voor de mens onherbergzame gebieden, waarin altijd rotsen of bossen voorkomen”. Hij nestelt vaak op rotsrichels.