A. Thorburn. Photo credit: BioDivLibrary via Visual hunt / CC BY

Bubo scandiacus (Linnaeus 1758: Strix scandiaca). Eng. snowy owl. Ned. sneeuwuil.

Bij strix scandiaca schrijft Linnaeus: “Habitat in Alpibus Lapponiae”, hij leeft in de Laplandse Alpen (p.92); ‘Alpen’ werd ook gebruikt voor andere gebergten dan dé Alpen, zie bij calidris alpina en bij eremophila alpestris. Maar hij heeft de sneeuwuil daarna nóg eens, onder strix nyctea, wat het vrouwtje was, scandiaca was het mannetje (Linnaeus ziet er dus soorten in, wat toen, en eerder ook, bij diverse vogels speelde, vogels waarbij de kleden van mannetje en vrouwtje sterk verschilden). Van nyctea weet Linnaeus dat deze voorkomt in Scandinavië én Noord-Amerika. Zélf kent hij alleen nyctea, zag er een ‘op een hofstede bij Uppsala’. In 1746 schreef hij nog dat de twee sterk op elkaar leken, maar in 1758 voegt hij ze niet samen. Dat kwam door zijn leermeester, Olof Rudbeck (1660-1740).

Als de 'geheel witte roofvogel' van Magnus 1555 niet de sneeuwuil was, dan had Rudbeck de soort als eerste. Hij maakt er twee tekeningen van, maar ziet niet dat het een en dezelfde vogel is. De ene, volgens Rudbeck met ‘oortjes’, noemt hij bubo scandianus (waarvan Linnaeus strix scandiaca maakt), die zonder ‘oortjes’ noemt hij noctua scandiana maxima (waarvan Linnaeus strix nyctea maakt). Na 1758 worden beide namen van Linnaeus gebruikt, tot Einar Lönnberg in 1931 bepaalt dat strix scandiaca, als eerstgenoemde naam, de officiële moet worden (strix nyctea stond op p.93).

Door Stephens 1826 komt de sneeuwuil in het génus nyctea (onlangs weer opgeheven: de sneeuwuil bleek dicht bij de oehoe te staan). Nyctea is een op Grieks nux (nacht) geïnspireerde vorm bij Latijn noctua: de nachtelijke, eigenlijk ‘uil’, zie bij athene noctua. Als soortnaam paste hij bij de meeste uilen, maar in strix nyctea zet Linnaeus hem bij de sneeuwuil, terwijl hij net als Rudbeck een reis door Lapland had gemaakt en de ‘nachten’ daar had leren kennen, de midzomernachten. En Edwards 1747 had geschreven: bij de Hudsonbaai zit hij het hele jaar en is er een dagvogel. ‘De nachtelijke’ had dan op bezwaren moeten stuiten, bovendien kende Linnaeus geen Zweeds nattuggla, nachtuil, voor de sneeuwuil (voor de bosuil bestond die naam wel). Misschien dacht hij alleen aan het feit dat het een uil was, en een gemodificeerd noctua kon dan wel.

-

Enkele andere namen voor de sneeuwuil (de codes zie op Home):

(U) Duits große weiße nordische eule, een naam in Hallen 1760, ‘Naturgeschichte’, voor strix nyctea van Linnaeus. Op een Duitse blog staat dat zo’n naam duidelijk maakt dat sommigen maar beter geen dieren benoemen. “Große weiße nordische Eule? Bis man das notiert hat, ist der Vogel schon an Altersschwäche gestorben”. Maar zo ging dat toen, men gebruikte vaak lange namen.

(U) N sneeuwuil, E snowy owl. Sneeuw in vogelnamen kon voor drie dingen staan: voor wit, voor waar de vogel in het Noorden voorkomt, en voor in het Zuiden arriveren als de winter komt. Het seizoen is hier het minst waarschijnlijk, gezien de beperkte trek van de sneeuwuil. Het voorkomen kon passen, maar Latham 1781, die snowy owl introduceert, zegt in de tekst: “the whole plumage is white as snow” (p.132), en dat zal dan zijn bedoeld. Met snowy owl wijzigt Latham de namen die Edwards 1747 gegeven had: aluco albus, witte uil, en (great) white owl. Edwards bedoelde óók het witte, noemt de sneeuwuil ‘de mooiste van alle uilen’, “on account of its exceeding snowy Whiteness” (p.61). Hij kreeg er twee uit Canada. “I cannot find that any Account has been yet given in Print of this curious Bird” (Linnaeus 1746 was nog maar net verschenen). Wel was er in Pennsylvania een 'Oyl Painting' van gemaakt, “because of its great Rarity”.

(G) Sami koekoe, een naam in Zweeds Lapland, zal er een zijn voor het ‘hoe’ van het mannetje, wat vaak een dubbel hoe-hoe is. Soms is het een rauw awk-awk, waarvoor Inuit uppik ook aukpik misschien een naam is, hoewel hij ook bij de alármroep van het mannetje past. In Noorwegen is er grisfugl: varkensvogel (gris betekent varken), een naam die past bij de schelle bedelroep van de jongen, maar het vróuwtje heeft, naast een spottend klinkende roep, écht de schreeuw van een speenvarken (een ‘whining squeal’). Bechstein 1791 schreef, hoewel hij niet uitlegt wat hij dan wist: “In Lappland wird sie wegen ihres gräßlichen Geschreys vom gemeinen Mann für ein Gespenst [spook] gehalten” (p.353). Dat zal die schreeuw zijn geweest.

(G) Noors lemengris - volgens ‘Norske Akademis Ordbok’ zit er lemen: de lemming (en in gris het varken van hierboven). Zweeds harfång - volgens ‘Svenska Akademiens Ordbok’ betekent de naam: 'uil die hazen vangt' (Zweeds hare: haas). In de broedtijd jaagt de sneeuwuil vooral op lemmingen, daarbuiten op vogels, konijnen, sneeuwhazen.

(G) Sami skuölfe: de allenige, een naam in Zweeds Lapland. Er hoort ook een werkwoord bij, skuölfahe: ‘alleen zijn als een uil’. Op de boomloze bergtoendra zit de sneeuwuil vaak op een uitkijkpunt, en als er geen sneeuw ligt valt vooral het sneeuwwitte adulte mannetje heel erg op - zit er ‘alleen’, in een wijds en verlaten landschap.

(V) Zweeds fjälluggla: berguil - de sneeuwuil is circumpolair een vogel van de toendra, maar in Noorwegen en Zweden van vooral de bergtoendra, de fjäll (de bergen boven de boomgrens).