Photo credit: ecologyweb on Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Caprimulgus europaeus Linnaeus 1758. Eng. nightjar. Ned. nachtzwaluw.

Linnaeus kende de moorse nachtzwaluw niet en dan is de enige andere nachtzwaluw al gauw wat nu europaeus heet, een soort die ook nog eens over bijna geheel Europa voorkomt. Toch is geen van deze twee de reden voor de naam. Die is dat Linnaeus ook een Amerikaanse nachtzwaluw kende.

In de twee eeuwen voor Linnaeus ontdekt men de buiten-Europese vogels. Gesner 1555 bijvoorbeeld heeft vier papegaaien, Buffon 1770-1783 heeft er al circa honderd. Een deel van die nieuwe benoemt men naar waar ze voorkomen. Ray 1694 bijvoorbeeld heeft pica persica, anser canadensis, ciconia americana. De namen voor de Europese soorten veránderen echter niet: je krijgt geen pica europaea enzovoort. Men benoemt ‘eurocentrisch’, door het simpele feit dat Európa dieren en planten beschrijft, en zo zijn de Europese soorten de ‘norm’: pica, sturnus, rubicilla, de buiten-Europese worden pica persica, sturnus mexicanus, rubicilla americana (vergelijk in de landsnamen nachtzwaluw en egyptische nachtzwaluw - het zit overal, ook bij andere dan geografische aanduidingen). Mogelijk is Buffon de eerste die zich realiseert dat het een opmerkelijk patroon is. Toevallig juist bij de nachtzwaluwen bespreekt hij het: ‘Wij Europeanen beginnen met de soorten die wij het best kennen. Amerikaanse naturalisten zouden hún soorten tot de primaire maken’.

In twee namen doorbreekt Linnaeus 1758 het patroon, waarschijnlijk onopzettelijk: in caprimulgus europaeus en in sitta europaea, de boomklever. Hij weet hier van Amerikaanse soorten. Bij de boomklever heeft hij uit Catesby 1731-1743 nuthatch en small nuthatch, tegenwoordig sitta carolinensis en sitta pusilla, bij de nachtzwaluw kent hij er onder andere door Ray 1694 een van Jamaica (nu uitgestorven). Deze noemt hij caprimulgus americanus. En zo heeft hij in zijn genus caprimulgus een Europese en een Amerikaanse.

-

Enkele andere namen voor de nachtzwaluw (de codes zie op Home):

(G) Spaans devorador: verslinder, opslokker - voor met grote bek insecten vangen, zie ook bij caprimulgus (voor die bek zelf bijvoorbeeld Duits froschmaul: kikkerbek). Vlaams slokkeman, is ook pad, grote eter, en ‘wezen waarmee men kinderen bang maakte’ (‘hij slokt je op’). Frans engoulevent: windslokker, Oudfrans engouler: inslikken, vent: wind - lang dacht men dat hij voortdúrend met open bek vloog, wind en insecten opslokkend. In boeken van afgelopen eeuw zie je dat nog niet iedereen weet dat het anders zit.

(G) E nightjar, Lockwood 1984: “from the unique jarring sound”, een snorrend errrrr-örrrrr, waarvoor men jar, churr, snorren, spinnen, gebruikte. Brabants motseklet (motocyclette). Engels wheel bird, wheel hier spinnewiel, Zweeds spungumma: spinvrouwtje. Nederlands vliegende pad, in Schlegel 1860 (het geluid lijkt op dat van de rugstreeppad) (zoals ook schutkleur en grote bek), Luxemburgs nuetsmouk: nachtpad, Frans crapaud-volant: vliegende pad. Het geluid was vreemd: men vergeleek met wat men béter kende.

(G) Brabants dwaaske, vergelijk ronddwazen: ronddwalen (‘zonder verstand’). Middelnederlands gedwas: dwaasheid, ook spookverschijning - men vond de nachtzwaluw spookachtig, door het nachtelijke gefladder, een opmerkelijk patroon van zwenkingen, buitelingen, vertragingen, versnellingen (‘zonder doel’). Deens aftenbakke, wat ook vleermuis is - de grillige vlucht. Duits nachtwanderer: ‘die nachtelijke omzwervingen maakt’, opgetekend in Bechstein 1795.

(G) Duits tageschlaeffer, Schwenckfeld 1603, de naam ‘omdat hij zich overdag schuil houdt’, Nederlands dagslaeper 1764. Frans chauche-branche, uitleg Buffon 1770-1783: hij zit in de lengterichting van een tak, alsof hij deze dekt, ‘zoals de haan de hen dekt’ (Frans côcher, Oudfrans chaucher: een vrouwtje dekken). Een takneukertje dus (branche: tak). Het verenkleed werkt als camouflage, lijkt op boomschors.

(V) N nachtzwaluw, een van vele namen waarin avond en nacht, als ze actief zijn. De zwaluw is vreemd. In de gierzwaluw zag men altijd een zwaluw, onder andere door het gelijkende vliegbeeld - in namen voor de nachtzwaluw zat in plaats van zwaluw pad, kikker, vleermuis, enzovoort, en de meeste oudere schrijvers hadden geitenmelker. Frisch 1763 geeft nacht-schwalbe: hij lijkt op de zwaluwen, vooral op de gierzwaluw, en daarom “halte ich den Namen Nacht-Schwalbe für seinen eigentlichen”. Brehm 1831 heeft hierdoor Nachtschwalben, voor de familie der Caprimulgidae (maar voor de sóórt: ziegenmelker). ‘Nachtzwaluw’ was een boekennaam, geen volksnaam (tegenwoordig wel een vogelaarsnaam, door de veldgidsen).