Photo credit: Opaluna via Visualhunt.com / CC BY

Merops apiaster Linnaeus 1758. Eng. bee-eater. Ned. bijeneter.

Eind 4e eeuw na Christus staat bij de Romeinse schrijver Servius de vogelnaam apiastra, waarin de bij zit, Latijn apis. In de 12e eeuw is er de Middeleeuws Latijnse mannelijke vorm daarvan, apiaster. Bij Servius was apiastra een synoniem van Grieks merops, wat de bijeneter was, zie aldaar. Servius: “vocantur apiastrae, quia apes comedunt”, de meropes heten zo ‘omdat ze bijen eten’. Gezien de beschrijvingen bij de Romeinen, en gezien Latijn apis in de naam, was ook apiastra de bijeneter.

De bijeneter eet ook kevers, hommels, libellen, vliegen, enzovoort, maar bijen en wespen het liefst (zie ook de wespendief, pernis apivorus). Bij de Romeinse ‘keuze’ voor apiastra kan meegespeeld hebben dat bijen eten toenmalige bijenhouders nogal opviel. André 1967 schrijft dat de vogel bij Servius ook barbarus heette: de woeste, een naam voor de ravages die ze in bijenkorven konden aanrichten. Ze werden er voor vervolgd, wat Aristoteles al schreef.

-

Enkele andere namen voor de bijeneter (de codes zie op Home):

(U) Maltees cardinal, voor het rode, zoals kardinalen rood dragen. Italiaans golo, gaulo, gauolo: ‘de gele’, bij Isidorus rond 600 was het gaulus, volgens André 1967 via galbulus > gabulus > gauulus > gaulus ontstaan uit Latijn galbulus voor de wielewaal (zie bij oriolus oriolus).

(U) Duits heu-meher, opgetekend in Klein 1750. Omdat de bijeneter niets speciaals met gras of hooi heeft, zal het een naam voor de snavel zijn geweest: gekromd als de zicht waarmee men het gras sneed. Mogelijk was ‘gras-maaier’ bedoeld: hooi kan men niet maaien.

(G) Italiaans gorgoglióne, waarin gorgogliare zit: gorgelen, en dan is het een naam voor het rollende, steeds herhaalde pruut of pruuïp (Belon 1555: grulgruruurul). Als een lieflijk fluitend gorgelen, zo klinkt het wel.

(G) Bulgaars ptsjelojad, een van de vele namen die ‘bijeneter’ betekenen (ptsjelá: bij, jam: eten). Italiaans aśiolèr, een naam bij Cremona, uit dialect aśiöl: wesp. Frans guêpier: wespenaar, guêpe uit Latijn vespa: wesp, de oudere vorm guespier zit in het kopje bij Belon 1555: “Du Guespier nommé Merops” (p.224).

(G) Siciliaans picciaferro: ijzerbek, opgetekend in Gesner 1555: “in Sicilia picciaferro, a ferrea rostri duritie”, omdat de snavel zo hard als staal is (p.576). Waarschijnlijk was het een naam voor overweg kunnen met stekende insecten. Beeldspraak dan.

(?) Italiaans gruccióne, volgens sommige Italiaanse etymologen een niet te duiden naam, volgens andere gebaseerd op grucca: kruk, stelt, en dan een naam voor de twee verlengde staartveren. Weer anderen noemen het een verklanking van hun gr.. gr.., zie gorgoglióne hogerop. Beide verklaringen zijn mogelijk.