Photo credit: Paul Appleton on Visualhunt / CC BY-NC

Picus viridis Linnaeus 1758. Eng. green woodpecker. Ned. groene specht.

In vele talen is er ‘groene specht’ voor de groene specht. Latijn viridis: groen. Het zijn namen voor het opvallende groengele kleed, dat hem in de zon ook nog eens een bijna tropische soort doet lijken. Linnaeus kent de groene specht door de tekeningen van zijn leermeester Rudbeck (1660-1740). Van Gesner 1555 neemt hij picus viridis over. Gesner kende Duits grünspecht, Oudhoogduits gruonspëht, daarnaast Grieks keleos van Aristoteles. Geïnspireerd door Turner 1544, de eerste die in keleos de groene specht ziet, schrijft Gesner: ‘Gaza 1476 vertaalde keleos met galgulus, maar dat is een ándere vogel, waarschijnlijk de wielewaal: keleos is de groene specht!’ Er was veel verwarring rond namen voor wielewaal en groene specht. Turner en Gesner zien het goed: Aristoteles had een specht zo groot als de trugon, de zomertortel, geheel geelgroen, “chroma chloros olos”. Arnott 2007: en ook bijkomende gegevens maken duidelijk dat het de groene specht moet zijn geweest.

Keleos zelf heeft níet met groen te maken. Frisk 1960-1972 herleidt tot Grieks kolapto: slaan, tikken, zie druokolaptes bij het genus dendrocopos, en dan staat er houwer of hakker. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn Grieks kaleo: roepen, keleos dan een naam voor het opvallende ‘lachen’ van de groene specht. De groene specht ‘klopt’ niet erg.

-

Enkele andere namen voor de groene specht (de codes zie op Home):

(U) In Duitsland was er grüner baumhacker mit roter haube, Haube: muts, kuif. In Engeland english parrot, parrot: papegaai. Zweeds gröngöling: groene geelling, göling uit gul: geel. Noors gulspæt: gele specht - en rond 1775 hadden Noorse naturalisten onder deze naam ook de grijskopspecht, als “grågrøn varietet”.

(G) Duits graßspecht, bij Schwenckfeld 1603 grasespecht, geen uitleg. De groene zit vaak in het gras, voor de mieren, maar de naam is ook opgegeven voor de kleine bonte, die zélden op de grond komt. Bechstein 1791 had hem voor de groene, maar met: gras ‘vanwege de kleur’. En in 1773 had een Duits boek, waarin het de kleine bonte was: “kann sich im Grase verstecken, und wird darum Graßspecht genennet” .. Meest voor de hand ligt: een naam voor de groene, voor het foerageren.

(G) Vlaams en Duits lachspecht, Engels laughing woodpecker, namen voor de lachende zang - waaraan je hem vaker vaststelt dan door hem te zien, laat staan door hem te horen roffelen. Buffon 1770-1783 zei het al (als eerste?): in de paartijd heeft hij “un appel d’amour qui ressemble en quelque manière à un éclat de rire”, een schaterlach. In Duitsland hoorden ze een paard: wieherspecht, hinnikspecht. In Zuid-Spanje is er caballico: paardje. In Limburg mieërts veule, veulen dat in maart begint te roepen.

(G) Engels reyne fowle rond 1440, Duits regenvogel, Zweeds regnfågel. Zijn geluid zou regen aankondigen, zie bij het genus pluvialis. Men dácht er ook van alles bij: regen zou insecten in de boomschors naar boven halen, en de specht verheugde zich al, en ríep daarom. Maar hij sméékte ook: toen God voor de dieren een drenkplaats wilde maken, werkte de specht niet mee, ‘uit vrees zijne fraaie vederen vuil te maken’. Voor straf leed hij voortaan altijd dorst, en sméékte om regen, met zijn klaaglijk geluid .. En zo kwam er Frans procureur du meunier: advocaat van de molenaar - die water nodig heeft om zijn molen te laten draaien - en een advocaat moet alsmaar pleiten (procureur kon advocaat betekenen). Voor de zwárte specht, waarover iets vergelijkbaars werd verteld, was er in Duitsland müllers advokatenspecht, Müller: molenaar (de twee namen lijken zo op elkaar dat men ze in samenhang zal moeten zien). De achtergronden bij de verhalen zijn niet steeds even duidelijk, maar naast het geluid zal men er de verbazing over het hámeren van de spechten in hebben verwerkt: in een van de versies moet de specht voor straf zijn hele leven op bomen tikken (wat bij de groene wel minder past).