Photo credit: raz1940 et Charlotte via Visualhunt / CC BY-NC

Sturnus vulgaris Linnaeus 1758. Eng. starling. Ned. spreeuw.

Heel wat mensen vinden de spreeuw een nogal ‘gewone’ verschijning (‘maar wanneer je beter kijkt, is hij wel mooi’). De wetenschap lijkt dat gewone ook te benadrukken: Latijn vulgaris betekent alledaags en sturnus vulgaris is dan letterlijk ‘gewone spreeuw’, in vertaling bij Houttuyn 1763: gemeene spreeuw. Maar gewoon is hier niet gewoon. En ook niet: (al)gemeen voorkomend ..

In de ornithologie gebruikte men vulgaris en vergelijkbare aanduidingen vooral voor bekende soorten, zie ook bij certhia familiaris. Meestal was de reden er een van systematiek: men zei ermee dat men een vogel als de typerende van een groep zag, bijvoorbeeld sylvia communis - of dat het de Europese was, bijvoorbeeld caprimulgus europaeus. Voor de spreeuw geldt dit laatste.

In Europa was de spreeuw altijd een van de bekendste vogels, omdat hij dicht bij de mensen zat, en de mensen hem in kooitjes hadden (daarnaast ook door hun gedrag, Van Cantimpré ±1240 beschrijft al het vliegen in zwermen, als afweer tegen roofvogels). Door die bekendheid had men genoeg aan sturnus, vanaf de Romeinse tijd al, wat ook voor enkele andere soorten gold, de merel bijvoorbeeld: men had genoeg aan merula (volksnamen waren vooral ‘enkelvoudig', er hoefde niets meer bij). Er veranderde iets toen men buiten-Europese soorten leerde kennen. Ray 1694 bijvoorbeeld heeft dan naast sturnus ineens ook een sturnus indicus. En Linnaeus 1758 kent (al) twéé buiten-Europese soorten. En noemt de Europese soort vervolgens sturnus vulgaris: gewone spreeuw. Hij bedoelde dus: de onze.

-

Enkele andere namen voor de spreeuw (de codes zie op Home):

(U) Oudengels dropfag, waarin dropa zit, de druppel. Ook was er drop-fah: gevlekt, en an-fah: één kleur hebbend, en dropfag was dan: ‘de gevekte’. In de zomer is de spreeuw metalig glanzend zwart, in de winter sterk gespikkeld. De officiële Spaanse naam is estornino pinto: gevlekte spreeuw (estornino en Frans étourneau kwamen uit sturnus). In Spanje ziet men vooral het winterkleed, de Angelsaksen zagen beide kleden. In Zweden, in Östergötland, is er gridelinstare, gridelin betekent paarsachtig (stare is spreeuw), zodat het een naam is voor het zomerkleed (na de zomer ziet men ze in Zweden ook niet meer, bijna alle spreeuwen trekken er weg). Voor het zo anders gekleurde jóng was er Oudengels stærling, een verkleining van stære, spreeuw. Lockwood 1984: maar later zág men dat verkleinende niet meer en starling werd toen: spreeuw.

(G) Fries protter: pruttelaar, het bijbehorende werkwoord is prottelje: pruttelen. In het Nederduits waren er quatter, kletskous, en blutter, causeur, vergelijk Middelhoogduits blôdern: babbelen (Duits plaudern) en Latijn blaterare: kletsen, veel praats hebben. Het zijn klanknabootsende werkwoorden en ze hadden op de spreeuw kunnen zijn geënt, op zijn ‘concertjes’, een aanhoudend maar gevarieerd gebabbel, vermengd met meesterlijke imitaties, niet alleen van vogels.

(G) Officieel Hongaars seregély, sjèrrageelie, gevormd bij Hongaars sereg: troep, zwerm vogels (en -ély maakt er vervolgens een zelfstandig naamwoord bij, zoals -ist bij de piano een pianist maakt). Het is dus 'zwermvogel', een bijzondere naam: zelden is benoemd naar de groep. Hier is natuurlijk vooral gedrag bedoeld: samenscholen, en óptreden als zwerm, de beroemde groepsvluchten. Een andere voor de spreeuw is Armeens tarmahav, een transcriptie van տարմահաւ, waarin tarm zit, տարմ: troep, zwerm vogels. Van Nederlands troepiaal, een naam voor de Icteridae (geen spreeuwen, wel is de Duitse naam Stärlinge) is gedacht dat het ook zo’n naamtype was, waarschijnlijk was het Zuid-Amerikaans turpial, dacht men aan Frans troupe en gaf dat Frans troupiale.

(V) Sturnus domesticus, in Brehm 1831, met Duits hausstaar als zijn eigen vertaling ervan (maar hausstaar werd ook gebruikt voor spreeuwen die men tam had: ‘mein lustiger Hausstaar’). Op dezelfde pagina 398 heeft hij nóg een spreeuw, sturnus sylvestris, Duits waldstaar, bosspreeuw. Beide zijn gewoon de spreeuw, maar met de namen gaf hij toevallig wel de twee kanten van de biotoop: dichtbij de mensen, of in open bosgebied. Foerageren doet de spreeuw vaak in het open veld, ook in weiden met vee: Zwitserduits rinderstaar in Gesner 1555, Vlaams koeistrontfretter.

(?) N spreeuw - voor de etymologie is gedacht aan ‘sproeien’, en dan was het een naam voor het gespikkelde, waaruit ook sturnus wel eens is verklaard - ook is gedacht aan Germaans *sparwa: mus, vergelijk Engels sparrow en zie bij de genera parus en passer - maar het kan ook een klanknabootsing zijn, in de geluiden is in elk geval makkelijk ‘spriew’ te horen.