A. W. Seaby. Photo credit: BioDivLibrary via VisualHunt / CC BY

Alauda arvensis Linnaeus 1758. Eng. skylark. Ned. veldleeuwerik.

Arvensis is afgeleid van Latijn arvum: veld, akker, bouwland. Het woord is geen Klassiek Latijn, zoals men wel eens schrijft. Waarschijnlijk bedacht Linnaeus arvensis zelf, als een parallel aan pratensis, zie de graspieper. De naam staat voor veld-, van het veld, levend op het veld. Alauda arvensis dan: veldleeuwerik, hoewel velen de vogel gewoon leeuwerik noemden, Engels lark, Duits lerche, Frans alouette. Voor velen, zeker op het land, was de veldleeuwerik altijd dé leeuwerik.

Leeuweriken, ook de boomleeuwerik, zijn grondvogels, zijn vogels van akkers, weilanden, heidevelden, woestijnen, steppen. De Romeinen noemden hen daardoor met een algemene naam terraneola (Latijn terra: aarde, grond), de naam overgebleven in Italiaans dialect terragnola, Catalaans terrerolà, enzovoort (Italiaans terragnolo: bij de grond blijvend). Van al deze grondminnenden is de veldleeuwerik sterk aan akkers en graslanden gebonden: hij trok met ons mee toen we Europa ontbosten (maar verlaat ons nu ook weer, nu moderne landbouw de velden minder bewoonbaar maakt). Bij veldleeuwerik kan ook heel goed de veel geroemde zangvlucht een rol hebben gespeeld: de vogel zóng boven die velden.

Belon 1555 heeft voor de veldleeuwerik Frans alouëtte, Gesner 1555 onder andere Duits himmellerch, voor die zangvlucht, tegen de hemel aan. Linnaeus baseert zich op Frisch 1733-1763, die feld-lerche heeft, en dat met alauda arvorum vertaalt: leeuwerik van de velden. Alauda arvensis gaat daardoor terug op Duits feldt lerch uit 1544, naar men mag aannemen een naam voor de veldleeuwerik. De mensen kénden de soort: ze wérkten op die velden.

-

Enkele andere namen voor de veldleeuwerik (de codes zie op Home):

(U) Alauda non cristata: ongekuifde leeuwerik, Belon 1555. De kuifleeuwerik noemde men alauda cristata, omdat de kuif daar overduidelijk was, zie ook bij galerida cristata. De veldleeuwerik hééft wel een kuif, maar een minder opvallende. Belon laat niet merken dat hij (toch) weet heeft van een kuifje, tékent de vogel ook zonder kuif. Later ziet Buffon 1770-1783 het kuifje wél.

(U) Italiaans panterana, voor de gevlekte bovenkant, waardoor men met een panter vergeleek. Voor het wat grijze, grijsbruine, zie de foto bij alauda: Vlaams grysleeuwerke, de naam ook opgegeven voor de boomleeuwerik, maar de oudste, voor de veldleeuwerik, staat bij Guido Gezelle in een gedicht van 1858: “My beminde Grysleeuwerke”, die opgestegen in de lucht “Hooger dan myn ooge draegt”.

(G) Duits sanglerch, Gesner 1555. Zweeds sånglärka, de officiële naam. Brabants zangleeuwerik. Namen voor het jubelende lentelied, dat hem zo beroemd maakte, en dichters en componisten inspireerde. Noors norsk nattergal, oudste optekening 1793, in een boek van 1898 ook voor de zanglijster gebruikt. Vóór 1900 zat er in Noorwegen geen nachtegaal (ook niet de noordse) en zo kon men een mooi zingende vogel ‘noorse nachtegaal’ noemen. Uit de boeken wist men dat de nachtegaal allermooist zong.

(G) E skylark, bij Ray 1678 skie-lark, bij Ray 1694 skylark. Lockwood 1984 was verbaasd te ontdekken dat deze “most English-sounding of names” een vertaling was van Gesners himmellerch hogerop. Ray 1678 zegt dat niet (elders?). Vlaams hemellawerk, lawerk een van de vormen van leeuwerik. Brabants klimleeuwerk, in de zangvlucht langzaam naar die hemel klimmend.

(V) Roemeens ciocîrlie ce cîmp: veldleeuwerik - cîmp, câmp, Latijn campus: veld. Fins peltoleivonen: veldleeuwerikje, leivo: leeuwerik, waarschijnlijk net als leeuwerik een klanknaam, vergelijk ‘laiwen’ bij alauda - pelto: akker, veld, lang geleden ontleend aan het Germaanse woord voor veld. Duits korn-lerche, Frisch 1763: ‘omdat hij erin nestelt’. Ray 1678 noemt al de hele variatie: hij broedt in open gebied op de grond, “others say in Corn, or thick high grass in Meadows” (p.204). Duits wiesenlerche: weideleeuwerik, maar is ook een naam voor de graspieper.