Photo credit: Ján Svetlík on VisualHunt

Calandrella brachydactyla (Leisler 1814: Alauda brachydactyla). Eng. short-toed lark. Ned. kortteenleeuwerik.

De kortteenleeuwerik heeft kortere achterteennagels dan de meeste andere leeuweriken en piepers. Lange achterteennagels lijken vooral voor te komen bij soorten die veel op zachte grond lopen, waar ze waarschijnlijk meer houvast geven, korte achterteennagels zijn er vooral bij soorten die op harde grond leven, die minder lopen, en/of op takken zitten. Voor eentje die op iets heel anders loopt, de boomkruiper, is ‘korttenig’ ook de soortnaam, zie bij certhia brachydactyla (Grieks brachus: kort, Grieks daktulos: vinger, hier teen, ‘de vinger van de voet’).

Voor de kleine kortteenleeuwerik, calandrella rufescens, is de officiële Duitse naam stummellerche, stompleeuwerik, maar dat is de zaak overdrijven: het gaat erom dat deze leeuweriken min of meer ‘normale’ achterteennagels hebben, wat opviel, bij de erg lange van de andere leeuweriken.

-

Enkele andere namen voor de kortteenleeuwerik (de codes zie op Home):

(U) Duits isabell-lerche, een naam in Naumann 1824: ‘hij heeft de kleuren van een bleke veldleeuwerik’, “doch fällt hier Alles mehr ins Isabellfarbene” (p.189), een licht geelbruin. Verwarrend was alauda isabellina van Temminck 1823, nu een ondersoort van ammomanes deserti, de woestijnleeuwerik, die ‘dus’ zandkleurig is.

(G) Spaans corrugaña, waarvoor in Spanje ‘klanknabootsing’ geopperd is. Spaans chirriera lijkt zeker een klanknaam te zijn, zal horen bij het werkwoord chirriar: knetteren, knarsen, piepen. Svensson 2010 heeft het bij het belangrijkste zangtype van de kortteen over "droge, tjirpende klanken": chirriera past daarbij (chir- zit bij diverse soorten, bij de leeuweriken ook in Italiaans chiruli zie bij alauda, bij de sterns ook in Spaans chirri voor de visdief, sterna hirundo, en zo zijn er nog vele meer; vergelijk ook het Engelse werkwoord to chirp: tjilpen, en zie ook bij emberiza cirlus). 

(G) Engels social lark, een naam voor alauda dukhunensis van Sykes 1832, wat later een ondersoort van de kortteen wordt. De naam staat in het ‘Madras Journal of Literature and Science’, deel 11 van 1840, in de tekst staat: “It associates in vast flocks” (p.32). Duits gesellschaftslerche, van waarschijnlijk na 1900, is mogelijk een vertaling van social lark (het naamtype is zeldzaam, wel was er gesellschaftskrähe voor de roek, corvus frugilegus, die ‘in gezelschap’ broedt). Over de kortteen schrijft Snow 1998: “Highly gregarious [‘gezellig’, ‘in groepen levend’] outside breeding season, typically occuring in flocks of a few birds or up to several thousand”. Sommige andere leeuweriken zijn ook ‘gregarious’, maar in mindere mate.

(V) Spaans terrera, bij Granada terrerilla, en de officiële Spaans naam is terrera común: gewone terrera (Spaans tierra: aarde, terrera betekent aardvogel). Alle leeuweriken zijn aardvogels, vergelijk terraneola bij alauda arvensis, maar over de kortteen geeft een Spaanse site: “de hábitos más terrestres que sus congéneres”, hij is nog aardser dan de andere leeuweriken (común kwam waarschijnlijk in de naam omdat de kortteen in Spanje veel meer voorkomt dan de andere terrera, de kleine kortteenleeuwerik; deze heet overigens terrera marismeña, zit vaak bij marismas: moerassen).

(?) Spaans londrilla boba, wat ‘dwaas leeuwerikje’ lijkt te zijn, londrilla is een verkleining van alondra, leeuwerik (uit alauda, zie dat genus), voor boba vergelijk bobo bij morus, het genus van de jan-van-gent. Vooral enkele zangvogels werden in Spanje en Italië dom, onnozel, of dwaas genoemd, om uiteenlopende redenen. Hier omdat hij zich aan het eind van de zangvlucht plotseling naar beneden stort?