Photo credit: Jean-Jacques Boujot via Visual hunt / CC BY-SA

Motacilla flava Linnaeus 1758. Eng. yellow wagtail. Ned. gele kwikstaart.

De gele kwikstaart kent vele ondersoorten en men ziet er soms soorten in, maar alle volwassenen van de ondersoorten hebben één ding gemeen: de onderkant is geel. Latijn flavus: geel.

Belon 1555 had al Frans bergeronnette jaulne: geel herderinnetje. In het Oudengels was er geolewearte, mogelijk ook voor de grote gele kwikstaart, die ook geel is, maar minder - de citroenkwikstaart kende men natuurlijk nog niet. De oudste - als het de gele kwikstaart was - is Grieks anthos, óók een naam voor het gele, zie bij het genus anthus. Wat daarnáást opviel: gele en witte kwikstaart zag men vaak bij grazend vee, leken het te ‘herderen’, vandaar bergeronnette. Bij de Romeinen was er voor hen al opilio: schaapherder, etymologisch: schaapdrijver.

Gesner 1555 kent zowel de gele als de grote gele, de grote het best, maar heeft er geen Duitstalige naam voor, zoals wel voor de witte kwik. Doordat de grote gele in alles op deze motacilla alba leek, ‘behalve in de kleur’, noemt hij hem motacilla flava, “a colore ventris”, ‘vanwege de kleur van de buik’ (p.594), een kleur die “initio caudae inferius intensior est”, ‘in de anaalstreek feller is’ (terminologie van nu). Had hij de gele góed gekend, dan had hij díe waarschijnlijk motacilla flava genoemd.

Aldrovandi 1600 noemt de gele motacilla flava alia, ‘een andere gele kwikstaart’, ‘die geler is’, zoals hij toevoegt. Onder andere hierdoor zet Willughby 1676 motacilla flava bij de gele. Wat Linnaeus overneemt. Hij zag niet dat Gesner en Willughby verschillende vogels beschreven.