Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Motacilla cinerea Tunstall 1771. Eng. grey wagtail. Ned. grote gele kwikstaart.

Net als de blauwe reiger is de grote gele kwikstaart cinerea: askleurig, de grijze kleur van de as van een sigaar (Latijn cinis: as). De gele kwikstaart heeft bovenop olijfgroene delen, de grote gele heeft grijze.

Tunstall heeft motacilla cinerea in “Ornithologia Britannica”, wat alleen een opsomming van soorten en namen is. Hij vermeldt er drie namen. Ten eerste bergeronette jaune van Brisson 1760, met, zoals altijd bij hem, een minutieuze beschrijving, de naam gelijk aan bergeronnette jaulne bij de gele kwikstaart, motacilla flava. Als tweede grey water-wagtail van Edwards 1758, bij een kleurtekening van een adult mannetje in het broedkleed. Als derde motacilla cinerea zelf, óók uit Edwards, maar die had de naam uit Willughby 1676. In diens tekst staat: “Supina pars corporis cinerea” (p.172), in de vertaling bij Ray 1678: “The upper surface of the body is grey” (p.238). Als vertaling van motacilla cinerea geven beiden grey wagtail: grijze kwikstaart.

De eerste met een duidelijke, zelfs voortreffelijke beschrijving is Gesner 1555, zie ook bij motacilla flava voor de gele. Maar in dezelfde tijd is er ook de eerste (en subtiele) kleurtekening, gepubliceerd in Olson 2007 (p.492). De tekenaar is Isaac la Grese. De vogel: een vrouwtje, eerstewinterkleed, of adult mannetje ‘non-breeding’. Op de plaat staan ook namen, onder andere motacilla cinerilutea: grijsgele kwikstaart. Op een tekening van de géle kwikstaart stond motacilla viridilutea: groengele kwikstaart.

-

Enkele andere namen voor de grote gele kwikstaart (de codes zie op Home):

(U) N grote gele kwikstaart, hoewel slechts een fractie groter dan de gele, heeft vooral een langere staart, Snow 1998: “up to 35% longer than in Yellow Wagtail” - en zo is er onder andere Noors langhalet gulerle: langstaartige gele kwikstaart, hale: staart, erle: kwikstaart (de etymologie is niet helemaal duidelijk).

(V) Officieel Noors vintererle: winterkwikstaart, een naam die verwarring geeft omdat de grote gele daar trekvogel is, net als de andere twee kwikstaarten - slechts enkele grote gele overwinteren - dáárvoor is het volgens sommigen een naam, maar de eerst opgetekende waarneming is van 3 januari 1874, ook dat kan het zijn geweest. Het eerste Noorse bróedgeval is van 1919, bij Oslo: de vogel broedde in Midden-Europese gebergten, vestigde zich na 1850 ook in noordwestelijker gebieden. Volgens de boeken was hij daar vóór 1850 alleen wintergast, maar voor Engeland geeft Yarrell 1843 enkele broedgevallen.

(V) Brabants beekkwikstaart - broedt liefst bij snelstromend water, is daar ook te vinden op de trek en in de winter (deels elders). “Wiesen und Felder besuchen sie selten und nur auf wenig Minuten: gleich sind sie wieder an ihrem Bach”. Duits wasserbachstelze: waterkwikstaart, uit 1720 - voor bachstelze zie bij motacilla alba, Bach daarin is niet de beek van ‘ihrem Bach’ (kreeg wel secundair die betekenis). Zweeds forsärla, fors: stroomversnelling, snel stromend water, ärla kwikstaart, gelijk aan erle hogerop. Duits gebirgsstelze, omdat het in Duitsland vooral een vogel van gebergten was, van de Bergbäche en Bergflüsse.