40050932165_ecc3c1e9fb Photo Credit: Mark Seton Flickr via Compfight cc

Prunella modularis (Linnaeus 1758: Motacilla modularis). Eng. dunnock. Ned. heggemus.

Modularis is waarschijnlijk bedoeld als een vorm bij Latijn modulus, modus: maat. Als woord is het dan: ‘met betrekking tot de maat’, vergelijk bijbehorend Latijn modulari: de maat aangeven, in de maat zingen. Het is geen Klassiek Latijn. Linnaeus bedacht het waarschijnlijk zelf.

Wember 2007 verklaart modularis met: “Der Gesang ist eine gleichmäßige, sich auf- und abwärts bewegende Melodie” (p.160). Luisterde men vroeger zo scherp? Bovendien: je zult moeten denken aan móói zingen, niet aan in de maat zingen. In het Nederlandse Middeleeuws Latijn was modulari: zingen, zoet zingen, in een bron uit die tijd: “suetlick qwedelen”, ‘lieflijk kwelen’. Dat is wat de heggemus doet - de zang is hoog, gehaast, kwetterend - over een in de winter zingende heggemus schreef iemand: ‘een liedje gemaakt van ijssplintertjes, waar de zon op schijnt’ - Belon 1555 schreef het al: “son chant est assez plaisant” (p.375).

Linnaeus gaf geen uitleg, en in zijn genus motacilla had hij diverse zangers die even goed of zelfs beter zijn dan de heggemus, maar in 1758 verwijst hij wel naar zijn ‘Fauna Svecica’ van 1746 en daar zegt hij dat de heggemus ‘in de lente in kooitjes voortreffelijk zingt’, “in caveis egregie cantillat tempore vernali” (p.84). Dát zal hem tot modularis hebben aangezet, en prunella modularis is dan ‘mooi zingend bruintje’, niet ‘zingend bruintje’, zoals Coomans 1947 nog schreef (zingend betekent bij een zangvogel ook niet veel).

Een rol speelde wellicht ook de enige oudere naam die Linnaeus in de boeken dacht te vinden: curruca cantu lusciniae bij Frisch 1733-1763, ‘curruca met de zang van een luscinia’, een nachtegaal (bij prunella staan oudere namen). Voor curruca zie sylvia curruca, de braamsluiper. Bij Frisch wás het misschien ook de braamsluiper, en in 1766 laat Linnaeus de naam (daardoor?) weg, maar Frisch bedóelde dat de vogel qua zang ‘in de buurt’ van de nachtegaal kwam, en dus unechte nachtigall mocht heten, bastaardnachtegaal - de heggemus dus, want zo interpreteerde Linnaeus de naam - en het was dan wel geen echte, maar toch een nachtegaal. Nederlands bastaardnachtegaal was lang dé naam voor de heggemus. Houttuyn 1763 schreef al dat hij gegeven was “wegens zyn lieflyk Gezang en Kleur” (p.568).

-

Enkele andere namen voor de heggemus (de codes zie op Home):

(U) Nederlands mus, door het kleine en bruine, vergelijk hoe men de gierzwaluw vaak zwaluw noemt. Bij de langere namen is in diverse talen ‘mus’ vaak een ónderdeel (soms ‘kneu’, ‘vink’, ook wel ‘grasmus’).

(U) Brabants blauwmus, voor het blauwgrijze aan kop, hals en borst. Engels blue jig, Jig: Jug, koosnaampje voor Jane, wat iets zegt over het vertrouwde (in de winter, bij de heg). Officieel Zweeds järnsparv, in 1728 genoteerd door Rudbeck: ijzermus (järn: ijzer, sparv: mus), volgens een Zweedse bron voor het ‘järngrått huvud’, de ijzergrauwe kop, maar de rest van het kleed zal hebben meegedaan: de kleur van verroest ijzer (‘roestbruin’). Voor Engels dunnock, waarin alleen dat bruine zit, zie bij prunella.

(G) Engels shufflewing: schuifelvleugel - bij foerageren op de grond loopt hij hippend, schuifelend, min of meer gebukt - en slaat vaak razendsnel de vleugels uit, soms bijna niet te zien - dit ‘schudden’ of ‘trekken’ sterker in het voorjaar, bij de balts.

(G) Frans gratte-paille: stro-krabber (gratter: krabben, paille: stro), een naam in de Brie, opgetekend door Buffon 1770-1783, én uitgelegd: in de winter, als men het graan dorst, komt hij op de dorsvloer korrels zoeken. Snow 1998: eet vooral insecten, maar in de winter een “significant proportion of small seeds”.

(V) N heggemus, heggenmus - omdat hij er vaak zit - algemener, in West-Europa: open gebied met heggen en struiken, elders vaak bos (oorspronkelijk: vogel van bossen en bergen). In 1921 heggemusch, teruggaand op haag-mosch in Houttuyn 1763, die er Engels hedge sparrow van 1570 mee vertaalt. Zo’n naam kon ook op zichzelf ontstaan, maar ook het in 1766 opgetekende Duitse heckensperling, heggemus, was een vertaling, van hedge-sparrow in Catesby 1731-1743 (in zijn tekst over een niet te bepalen little sparrow). Voor de heg kreeg hij véél namen, sommige met een tweede deel dat niet eenvoudig te etymologiseren is, bij voorbeeld Twents heggerienke. Voor de grónd waarop men hem bij die heg ziet: Limburgs aardmus.

(V) Frans fauvette d’hiver: wintergrasmus, Buffon 1770-1783: ‘alle fauvettes vertrekken in de herfst, deze arrivéért dan, en blijft de hele winter bíj ons, en dus past de naam’ (en bestond al, suggereert zijn tekst). Een opvallend drietal zíngt in de winter: roodborst, heggemus, winterkoning, maar als Buffon gelijk had, ging het om vóórkomen - en om ‘ontbreken’ in de zomer. In westelijk Nederland broedden er lang geleden niet veel, mogelijk was dat in delen van Frankrijk ook zo - maar wellicht speelde voorál een rol dat ze door hun verborgen leefwijze ’s zomers niet erg opvallen (‘s winters komen ze dichterbij). In Duitsland werd het wintergrasmücke, in Nederland winterzanger, Nozeman 1829, samen met de tékst van Buffon. In westelijk Nederland heeft de verstedelijking geholpen bij de toename.