Photo credit: chloesview via Visualhunt / CC BY-NC-ND

Bombycilla garrulus (Linnaeus 1758: Lanius garrulus). Eng. waxwing. Ned. pestvogel.

Men zegt vaak dat garrulus betekent dat de pestvogel ‘praatgraag’ is, de letterlijke betekenis van Latijn garrulus - garrulus is hier gaai, zie de afleiding bij de scharrelaar, coracias garrulus.

Linnaeus ontleent zijn naam aan Gesner 1555 die de pestvogel als garrulus bohemicus had, Boheemse gaai, wat in Engeland een letterlijk bohemian chatterer oplevert, in Nederland boheemsche klappert, later beemer, Bohemer, wat ook ‘zwerver’ betekenen gaat, en bohémien geeft (zigeuners zouden via Bohemen in Europa gekomen zijn). Middelhoogduits bemlin zat bij soorten die in herfst of winter uit onbekende streken kwamen, soms invasiegewijs. Van de ook zo genoemde koperwiek dacht Gesner overigens dat hij in Bohemen bróedde. Bij de pestvogel geeft hij alleen iets wat bij ‘invasies’ past. Door het onverwachte ervan, en het samenvallen met uitbraken van de pest, ontstond pestvogel: de komst van de vogel kondigde deze áán. Daarna was het bijgeloof niet meer te stuiten: ook oorlog, hongersnood, hun komst kon álle mogelijke onheil aankondigen, zoals men dat ook van uilen vond, zie bij aegolius funereus. Kinzelbach 1995 denkt dat Duits pestvogel al in de 14e eeuw, bij de eerste grote uitbraken, een naam voor de pestvogel werd. Later werden ook andere vogels wel eens zo genoemd.

Vóór 1500 zijn er teksten en afbeeldingen die als pestvogel kunnen of moeten worden geïnterpreteerd, meestal ontstaan na een invasie, maar waarschijnlijk werd de vogel na een invasie weer vergeten en was hij bij een volgende ‘nieuw’ (Kinzelbach). Van Cantimpré ±1240 citeert twee mogelijke pestvogelnamen uit Gaius Solinus, begin derde eeuw: cariste, waarschijnlijk uit Latijn crista: kuif, een vogel die door vuur kon vliegen (gezien de rode lakplaatjes?), en lucidia, een vogel waarvan de veren ’s nachts licht gaven (Latijn lux: licht). De Romeinen kenden de pestvogel mogelijk onder avis incendiaria, brandvogel. Pitiscus 1738: “Zeker vogel, by de Ouden voor een voorzegger van brand gehouden” (Latijn incendium: brand). Nadat ze weer vertrokken waren, moesten de goden opnieuw gunstig worden gestemd. Plinius: ‘maar ik kén de soort niet, en een beschrijving is er ook niet’; ‘anderen noemen hem spinturnix’ (Grieks spinther: vonk). André 1967: men denkt vaak dat dit dezelfde was als incendiaria, maar wat dat wás? Sommigen denken: de oehoe. Anderen: alpenkauw/alpenkraai. Arnott 2007 schrijft bij Grieks spintharis, van onduidelijke status, dat door gebrek aan informatie alles onzeker is. Kinzelbach echter: het moet de pestvogel zijn, vanwege de rode Hornplättchen aan de vleugels, waarvan men kon denken dat het vlammetjes waren waarmee ze brand konden stichten.

In een andere passage zegt Plinius ‘dat tijdens de burgeroorlogen in Bedriacum nieuwe, lijsterachtige vogels over de Po kwamen’ (“novae aves”). Kinzelbach ziet hierin ook pestvogels, onder andere door de zeldzaamheid van de invasies in het Zuiden, en door het meervoud, dat ‘komen in groepen’ suggereert.

Door het gebrek aan gegevens is een zékere determinatie van incendiaria en novae aves onmogelijk, maar ‘ongeregeld optreden’ kan duiden op ‘pestvogel’ en het brandvogelbijgeloof kan heel goed opgeroepen zijn door rode lakplaatjes plus ongeregeld optreden. En voor de ‘determinatie’ mag misschien ook meetellen dat de andere genoemde kandidaten in de Oudheid al eígen namen hadden.