Photo credit: ressaure via Visualhunt.com / CC BY-NC-SA

Luscinia luscinia (Linnaeus 1758: Motacilla luscinia). Eng. thrush nightingale. Ned. noordse nachtegaal.

Voor luscinia zelf zie bij het genus. Bij de Romeinen was dit de naam voor dé nachtegaal, luscinia megarhynchos, door Linnaeus komt hij bij de noordse nachtegaal. Weinigen wisten dat er twee soorten waren: ze lijken sterk op elkaar. Linnaeus denkt dé nachtegaal te beschrijven, maar woonachtig in Zweden beschrijft hij de Zweedse, de noordse nachtegaal.

Er zit bij hem wel een licht beséf van soorten. In 1746 weet hij dat enkele zuidelijke schrijvers ‘een kleinere nachtegaal’ kennen, ‘die ik nog nooit gezien heb’. Hij ziet er een variëteit in. Even later doet Buffon 1770-1783, die al méér weet, het omgekeerde: hij kent ‘een grotere nachtegaal’, de noordse, maar ziet er een variëteit in, van dé nachtegaal.

Schwenckfeld 1603 onderscheidde ze. In Silezië. Hij noemt dé nachtegaal luscinia minor, de noordse luscinia major en grosse nachtigalle - “Paulo major”, ‘iets groter’ (p.296), in feite nauwelijks een verschil, maar hij heeft het over vogelvangers, die zagen het waarschijnlijk. Bij ‘Zweierlei Nachtigall’ heeft Frisch 1733-1763 de twee ook. Schwenckfeld en Frisch wisten al meer dan de latere Linnaeus en Buffon.

Na Schwenckfeld kent men het verschil vooral op Oostduitse vogelmarkten. Suolahti 1909 schrijft dat men er een onderscheid maakte tussen de rothvogel, de nachtegaal, en de sprosser, de noordse nachtegaal, op borst en onderstaart vlekjes - Duits Sprosse: sproet. In de wetenschap begrijpt men pas lang na Linnaeus dat er echt twee soorten zijn.

Frederik II ±1246 heeft een kleurtekening die, gezien de tekst, een nachtegaal kan zijn. De tekening lijkt iets meer de noordse en zou er dan de eerste afbeelding van zijn. Olof Rudbeck (1660-1740), leermeester van Linnaeus, maakte een tekening die zeker de noordse is - maar hij weet niet dat het een andere dan dé nachtegaal is.