Friedrich Naumann 1844. Photo credit: BioDivLibrary on Foter.com / CC BY

Luscinia luscinia (Linnaeus 1758: Motacilla luscinia). Eng. thrush nightingale. Ned. noordse nachtegaal.

Voor luscinia zelf zie bij het genus. Bij de Romeinen was dit de naam voor dé nachtegaal, luscinia megarhynchos, door Linnaeus komt hij bij de noordse nachtegaal. Weinigen wisten dat er twee soorten waren, ze lijken sterk op elkaar. Linnaeus denkt ook dé nachtegaal te beschrijven, maar woonachtig als hij is in Zweden beschrijft hij de Zweedse, de noordse nachtegaal.

Er zit bij hem wel een licht beséf van soorten. In 1746 weet hij dat enkele zuidelijke schrijvers ‘een kleinere nachtegaal’ kennen, ‘die ik nog nooit gezien heb’. Hij ziet er een variëteit in. Even later doet Buffon 1770-1783, die al méér weet, het omgekeerde: hij kent ‘een grotere nachtegaal’, de noordse, maar ziet er een variëteit in, van dé nachtegaal.

Schwenckfeld 1603 onderscheidde ze. In Silezië. Hij noemt dé nachtegaal luscinia minor, de noordse luscinia major en grosse nachtigalle - “Paulo major”, ‘iets groter’ (p.296), in feite nauwelijks een verschil, maar hij heeft het over vogelvangers, die zagen het waarschijnlijk. Bij ‘Zweierlei Nachtigall’ heeft Frisch 1733-1763 de twee ook. Schwenckfeld en Frisch wisten al meer dan de latere Linnaeus en Buffon.

Na Schwenckfeld kent men het verschil vooral op Oostduitse vogelmarkten. Suolahti 1909 schrijft dat men er een onderscheid maakte tussen de rothvogel, de nachtegaal, en de sprosser, de noordse nachtegaal, op borst en onderstaart vlekjes - Duits Sprosse: sproet. In de wetenschap begrijpt men pas lang na Linnaeus dat er echt twee soorten zijn.

Frederik II ±1246 heeft een kleurtekening die, gezien de tekst, een nachtegaal kan zijn. De tekening lijkt iets meer de noordse en zou er dan de eerste afbeelding van zijn. Olof Rudbeck (1660-1740), leermeester van Linnaeus, maakte een tekening die zeker de noordse is - maar hij weet niet dat het een andere dan dé nachtegaal is.

-

Enkele andere namen voor de noordse nachtegaal (de codes zie op Home):

(U) Pools słowik szary: grijze nachtegaal. De Polen hebben beide nachtegalen, zagen misschien makkelijker het verschil in kleur: dé nachtegaal bovenop bruinrood, de noordse grijsbruin, zie ook slavík en solovej bij luscinia megarhynchos, słowik daarmee verwant (alle drie betekenen ‘nachtegaal’).

(U) E thrush nightingale, Newton 1893-1896: “a somewhat larger bird [dan dé nachtegaal], which fact, and the presence of some faint spots on its breast”, ‘lijster’ gaven. In de tekst noemt hij ook de sprosser van hogerop, die dan misschien meespeelde bij de naamgeving.

(G) Officieel Fins satakieli: nachtegaal, letterlijk: honderzanger, ‘die honderd talen spreekt’ (sata: honderd, kieli: tong, taal). De naam is taalkundig gelijk aan Sami cuoðegielat voor de blauwborst, zie luscinia svecica (Fins en Sami zijn verwant). In Lapland zit geen van de twee nachtegalen, mogelijk dat de naam daardoor bij blauwborst kwam. In Finland heeft men alleen de noordse. Vaak noemt men diens zang ‘minder’, maar gevarieerd is hij wel, met herhaling van motiefjes zoals ook de zanglijster heeft.

(V) N noordse nachtegaal, hoewel oostelijke ook kon, of russische. De Russen hebben solovej: nachtegaal, ook obuknovennuj solovej: gewone nachtegaal - en voor de ‘onze’ joezjnuj solovej: zuidelijke nachtegaal (hij zit in Zuid-Rusland), maar in een andere indeling zapadnuj solovej: westelijke nachtegaal, en de hunne dan wostotsjnuj solovej: oostelijke nachtegaal. De Zweden hebben het makkelijker: de noordse nachtegaal is bij hen näktergal, de onze is de sydnäktergal, de zuidelijke.

(X) Officieel Frans rossignol progné, terwijl ze voor dé nachtegaal rossignol philomèle hebben. De Fransen hebben de zussen Prokne en Philomela over de twee nachtegalen verdeeld (voor meer over de zussen zie bij ptyonoprogne). Bechstein 1795 noemde de noordse motacilla philomela, heeft de eerste goede beschrijving, kent de verschillen in uiterlijk, zang en voorkomen. “Ob man gleich diesen Vogel gewöhnlich nur für eine Varietät der gemeinen Nachtigall ausgibt, so hat er doch so viele auffallende Verschiedenheiten, daß man ihn wohl mit Recht für eine eigene Art erklärt” (p.536).