J. G. Keulemans. Photo credit: BioDivLibrary via VisualHunt / CC BY

Cercotrichas galactotes (Temminck 1820: Sylvia galactotes). Eng. rufous bush robin. Ned. rosse waaierstaart.

Naast galactotes had Temminck ook galactodes, de correcte vorm, wanneer men Grieks galaktodes latiniseert. Dit Griekse woord was er ook in de vorm galakto-eides: ‘als melk’ (Grieks gala: melk, in sommige samenstellingen galakto-). Temminck legt niet uit wat aan deze vogel melkachtig is, wel schrijft hij dat ‘de wenkbrauwen’ wit zijn, en de uiteinden van de buitenste staartpennen ook, daarnaast zijn “toutes les parties inférieures d’un blanc isabelle” (I-183). Al deze dingen samen zullen het melkachtige zijn geweest.

Waarschijnlijk had Buffon 1770-1783 de rosse waaierstaart al, onder Frans figuier blond, een vogel van Senegal, een van zijn Afrikaanse figuiers waarbij de pennen van de staart een trapsgewijs patroon vormden ('régulièrement étagée'). Een link met de podobé die bij cercotrichas staat, ziet hij niet. Het blonde, schrijft hij (en hij laat het op een tekening zien), is de lichte onderkant, vergelijk bij Temminck. Door die nadruk bij Buffon is het niet onmogelijk dat Temminck 'melkachtig' primair voor die onderkant gaf.

Maar in de groep der Sylvia’s, waarin Temminck de vogel plaatste, waren er méér met een gelig witte onderkant. Misschien begreep hij dat later ook. In 1820 gaf hij als zijn Franse naam (bij een nieuwe vogel bedacht hij ook een Franse naam, hij schreef in die taal) niet bec-fin galactote maar bec-fin rubigineux (bec-fin was een algemene naam voor zangvogels met dunne snavels) en in 1835 maakt hij daarvan de wetenschappelijke naam sylvia rubiginosa. Over de verandering zegt hij alleen: “J’ai changé le nom latin Galactodes en celui de Rubiginosa” (p.129). Latijn rubiginosus betekende verroest, hier dan: roestkleurig. Het is een bétere aanduiding: voor de oranjebruine bovenkant (bij de nominaat) en in het bijzonder voor de roodbruine stuit en staart (bij beíde ondersoorten). Maar de oudste naam gaat voor, zie de Inleiding.

-

Enkele andere namen voor de rosse waaierstaart (de codes zie op Home):

(U) Spaans alzacola rojizo: rossige alzacola. Engels rufous bush robin: rossige struik-roodborst. Mogelijk zijn beide namen geënt op rubiginosa van hierboven.

(G) Spaans alzacola, waarin opheffen zit (alzar), en een staart (cola), en dan gaat het om een vogel die de staart omhoog doet, zie bij cercotrichas. Mogelijk is het een heel oude naam voor de rosse waaierstaart.

(V) Spaans pajarito viña, wijngaard-vogeltje, omdat ze er vaak broeden, de rosse waaierstaart zit vaak dicht bij mensen. Russisch toegajnuj solovej, struik-nachtegaal, solovej betekent nachtegaal, toegaj is Oezbeeks toekai, een woord voor struiken/bos langs een rivier (in Rusland broedt de rosse waaierstaart niet, in Centraal-Azië wel). Snow 1998: in Rusland wordt hij heel juist ‘river forest nightingale’ genoemd, “from preference for valleys with bottomland forests, shrubs, and bulrush beds” (in Engeland wordt wel rufous-tailed scrub-robin als naam gebruikt). Voous 1960 gaf een Nederlands struikzanger, wellicht door Naumann: ‘Omdat hij lastig te plaatsen is [schrijft Naumann], heeft men een eigen genus voorgesteld, aedon, of agrobates, maar beide namen zijn slecht te verduitsen en daarom stel ik heckensänger voor [struikzanger], omdat ze meestal bij dicht struikgewas huizen’ (‘Nachträge zu Theil II’ van de “Naturgeschichte der Vögel Deutschlands”, p.399).